| 24879 |
madeliefje |
kaasbloemetje:
ke:sblyməkə (P218p Borlo),
kaasbloempje:
kɛ̄sblymǝkǝ (P218p Borlo),
madeliefje:
ma:dəlifjə (P218p Borlo),
madelifkǝ (P218p Borlo)
|
Bellis perennis L. Een zeer algemeen voorkomend plantje met losse witte bloempjes, die aan de uiteinden paarsrood kunnen aanlopen, met een geel hartje. Het komt voor in weilanden, op gazons en in bermen en bloeit bijna het hele jaar door, vooral van april tot september. Het varieert in hoogte van 5 tot 15 cm en wordt ook vaak meizoentje genoemd. Door de onzekere etymologie van het woord meizoentje, waarin mei- oorspronkelijk vermoedelijk eerder "weide" dan "mei(maand)" betekent, met zijn vele (volksetymologische) vervormingen, is de onderverdeling van de verschillende typen zeer globaal gehouden. Invoeging van -l- (en -r-) komt voor onder meibloempje en meizoetje; de betrokken varianten staan telkens achteraan in de behandeling van de woordtypen; molenzoetje is echter apart gehouden. [A 17, 1a; A 49B, 1a; L 40, 81; monogr.] || madeliefje [DC 49a (1974)]
I-5, III-4-3
|
| 34128 |
mager kalf |
schraal kalf:
sxroǝl kalǝf (P218p Borlo)
|
[N 3A, 147b]
I-11
|
| 34127 |
magere koe |
geraamte:
xǝrēmtǝ (P218p Borlo)
|
[N 3A, 147a]
I-11
|
| 32984 |
mais |
korentje(s)tarwe:
kø̜.r(ǝ)kǝtɛrǝf (P218p Borlo),
maïs:
męi̯es (P218p Borlo)
|
Zea mays L. Hoogopschietende graansoort met bloeikolven. Vroeger (in Q 14 wordt gepreciseerd: "vóór 1915") alleen als kippevoer bekend; maar de laatste decennia hoe langer hoe meer geteeld als veevoeder. Maïs wordt tegenwoordig op rijen gezet met een afstand van ongeveer 50 cm. Turkentarwe (naar de vreemde herkomst) was de oude en vrij algemene Zuidnederlandse benaming die door het veel kortere maïs verdrongen werd. Het type korentjestarwe, lett. "korreltjes-tarwe", dial. ''kurkentarwe'', is wel een volksetymologie van turkentarwe; in de veelvuldig voorkomende doubletten verschilt alleen de eerste medeklinker. De Vorsense opgave pǝtruk komt uit het Waalse peûs d''trouc'' (pois de Turc), "erwt uit Turkije". Zie afbeelding 1, g.' [N P, 22; JG 1a, 1b; L lijst graangewassen, 4; monogr.; add. uit N 15, 1b]
I-4
|
| 26638 |
malooi |
malooi:
mǝlōj (P218p Borlo),
zak:
zak (P218p Borlo)
|
De hoeveelheid graan die men naar de molen brengt en die groot genoeg is om er één of twee keer van te bakken. Zie ook de toelichting bij de lemmata ɛmaalgoedɛ en ɛbakmeelɛ.' [JG 1a; JG 1b; JG 1c; JG 2c; monogr.; N D, 33 add.]
II-3
|
| 20205 |
man |
man:
man (P218p Borlo, ...
P218p Borlo)
|
man [RND], [RND]
III-3-1
|
| 18422 |
manchet |
manchet:
maxeͅt (P218p Borlo)
|
manchet, vaste mouwboord van een overhemd [N 23 (1964)]
III-1-3
|
| 18700 |
manchetknoop |
manchettenknoopje:
maxeͅtəknøpkəs (P218p Borlo)
|
manchetknoopjes [N 23 (1964)]
III-1-3
|
| 33768 |
manen |
manen:
mǭǝnǝ (P218p Borlo)
|
Het lange nekhaar bij een paard. Paarden worden vaak onderscheiden naar de kleur van de manen (zie paragraaf 4.1). Zie afbeelding 2.13. [JG 1a, 1b; N 8, 21]
I-9
|
| 34051 |
mannelijk kalf |
varrenkalf:
vɛ̄rǝ[kalf] (P218p Borlo),
varrenkalfje:
vē̜rǝ[kalfje] (P218p Borlo)
|
[N 3A, 15; N C, 7a; JG 1a, 1b; A 9, 17a; Gwn V, 5a; monogr.]
I-11
|