| 33964 |
kordeel, hotlijn |
kordeel:
kar`diǝl (P218p Borlo)
|
Riem die of touw dat aan de korte teugel (cf. lemma Loenje) is vastgemaakt en door de voerman in de hand gehouden wordt. Als de voerman aan die lijn trekt, draait het paard naar links (haar), als hij er zachte rukjes aan geeft, draait het paard naar rechts (hot). Meestal wordt de gewenste richting van het paard echter vooral met commando''s aangegeven. [JG 1a, 1b; N 13, 29 en 32]
I-10
|
| 20109 |
korenbloem |
blauwe kol:
blōǝ kol (P218p Borlo),
korenbloem:
kōnblum (P218p Borlo)
|
Centaurea Cyanus L. Een niet meer zo algemeen voorkomende plant met blauwe bloemen, een spinselachtig behaarde stengel en dunne lancetvormige bladeren, die groeit in korenvelden, op zandgronden en in bermen. De plant bloeit van juni tot augustus en varieert in hoogte van 30 tot 60 cm. [A 13, 14; L 34, 31; monogr.; add. uit JG 1b]
I-5
|
| 33092 |
korenmijt zetten |
maken:
mǭkǝ (P218p Borlo)
|
Het maken van de korenmijt. Zie de toelichting bij het lemma ''buitenstaande korenmijt'' (5.1.18). Het object van de overgankelijke werkwoorden is steeds: een korenmijt, of, kortweg, koren. [N 15, 44; JG 1a, 1b; monogr.]
I-4
|
| 24539 |
kornoelje (alg.) |
kornoelje:
caignoel (P218p Borlo)
|
kornoelje [ZND 01 (1922)]
III-4-3
|
| 18604 |
korset |
korset (<fr.):
koͅrseͅ` (P218p Borlo)
|
korset, rijglijf om de taille [rijlief, rellif, relf, ruls, stiklijst, stiflijk] [N 25 (1964)]
III-1-3
|
| 18330 |
kort schortlint |
korte bindel:
koͅtə bø̄ŋəls (P218p Borlo)
|
linten, korte ~ waarmee de schortslippen van achteren met elkaar worden verbonden [gatslinte, gatlinter] [N 24 (1964)]
III-1-3
|
| 18013 |
kortademig |
dempig:
dempig (P218p Borlo)
|
hij is dempig (kan moeilijk ademen) [ZND 23 (1937)]
III-1-2
|
| 18287 |
korte broek |
korte broek:
ko.tə bruk (P218p Borlo),
kotte broek (P218p Borlo)
|
broek, korte (jongens)~ die de knieën onbedekt laat [N 23 (1964)] || korte broek (hoe heet ...?) [ZND 22 (1936)]
III-1-3
|
| 18216 |
korte laars |
halve bot:
haləf boͅtə (P218p Borlo),
stramp:
stramp (P218p Borlo)
|
laars met een korte schacht die tot aan de kuit reikt [N 24 (1964)] || Laars, een paar laarzen (laars die alleen het been bedekt tussen enkel en knie) [ZND 37 (1941)]
III-1-3
|
| 18600 |
korte onderbroek? |
korte onderbroek:
koͅtə oͅndərbruk (P218p Borlo)
|
onderbroek, korte ~ [N 25 (1964)]
III-1-3
|