| 18691 |
kapotjas |
kapotjas (<fr.):
#NAME?
kapotjas (L360p Bree),
korte dikke jas
kəpoͅtjas (L360p Bree)
|
kapotjas, in de betekenis van kostuum(onderdeel); betekenis/uitspraak [N 23 (1964)]
III-1-3
|
| 25254 |
kapper, maat van 0,2 liter |
kaffer:
kaffer (L360p Bree),
kappertje:
Verkleinwoord van: kapper. (ook: klein glas, al dan niet op voet, met als inhoud een kwart liter).
kepperke (L360p Bree)
|
de maat die een inhoud aangeeft van 0,2 liter [kapper] [N 91 (1982)] || inhoudsmaat
III-4-4
|
| 19483 |
kapstok |
rek:
rēͅk (L360p Bree)
|
kapstok [ZND 34 (1940)]
III-2-1
|
| 22254 |
kapucijn |
kapucijn:
kappesi-jn (L360p Bree)
|
Een Capucijn [Kappesijn, bedelmonnik]. [N 96D (1989)]
III-3-3
|
| 33279 |
kapucijner, velderwt |
velderwten:
vɛltɛrtǝ (L360p Bree)
|
Pisum sativum L. subsp. arvense (L.) A. et G. De meest geteelde variëteit van de veld- of akkererwten is wel de kapucijner met grauwe gedeukte erwten, die na het koken geheel bruin worden. Bij de opgave struikerwt wordt aangetekend: "men heeft hiervoor geen rijshouten nodig, zoals in de moestuin". Voor struu "stro" zie aflevering I.4, lemma Stro. [N P, 24a en 24b; monogr.; add. uit JG 1b]
I-5
|
| 21760 |
kar |
kar:
kar (L360p Bree)
|
Algemene benaming voor een voertuig met twee wielen (in Haspengouw mogelijk ook drie wielen, maar die zijn zeldzaam) met een lamoen waarin een paard gespannen wordt. Meestal wordt het gebruikt om lasten van enige omvang te vervoeren. Vroeger had de kar over het algemeen houten wielen, maar in de jaren na de tweede wereldoorlog werden die geleidelijk aan vervangen door wielen met luchtbanden. [N 17, add; A 2, 55; Wi 14; Gi, 15; S 17; L 1a-m; L 27, 28; R 12, 23; RND, 74; JG 1b; N 17, 4; monogr.]
I-13
|
| 18944 |
karakter (aard) |
aard:
aard (L360p Bree),
ārd (L360p Bree),
karakter:
karakter (L360p Bree),
natuur:
Joa, det deit ¯r neet; det ligkt neet in zi-jn nateer
nateer (L360p Bree)
|
aard (karakter) [ZND 01 (1922)] || de kenmerkelijke innerlijke, geestelijke eigenschappen waardoor de ene persoon zich van de andere onderscheidt [aard, karakter, tuk, inboezem] [N 85 (1981)] || karakter [ZND 01 (1922)] || karakter, aard
III-1-4
|
| 20784 |
karbonade |
karb:
kərb (L360p Bree)
|
gebraden varkensrib (karbonade) [Goossens 1c (1955b)]
III-2-3
|
| 24072 |
kardinaal |
kardinaal (<fr.):
kardinaal (L360p Bree)
|
Een kardinaal. [N 96D (1989)]
III-3-3
|
| 20653 |
karnemelk |
botermelk:
bui̯ǝ.tǝrmę.lǝk (L360p Bree),
bēǝtǝrmęlǝk (L360p Bree)
|
De voeistof die van de room overblijft als de boter gemaakt is. Op de kaart is het woordtype botermelk niet opgenomen. [L 1u, 103; L 27, 30; JG 1a, 1b; R 3, 49 en 71; S 17; S 23 add.; A 7, 16; RND 100; Gwn 10, 3; Vld.; monogr.]
I-11
|