| 20668 |
koolrabisoep |
reubensoep:
rebesop (L360p Bree),
Syst. Frings
rēbəsōͅp (L360p Bree),
Syst. Wbk. van Bree
rebesoep (L360p Bree)
|
Rapensoep (reubesop) [N 16 (1962)] || soep met raapkool als hoofdbestanddeel
III-2-3
|
| 33269 |
koolzaad |
sloorzaad:
slű̄ǝrzǭt (L360p Bree)
|
Brassica napus L. subsp. oleifera. Naam voor het zaad en voor het hele gewas: een koolsoort die alleen om het oliehoudend zaad wordt geteeld. Het heeft felgele bloemen in de zomer. Vroeger werd het gemaaid en gedorst en werd het zaad geslagen om "smout" te verkrijgen. Vergelijk aflevering II.3, Molenaar, paragraaf Oliemolen, blz. 165-166. Vergelijk ook het lemma Koolraap: de soort gekweekt om de knol. Bij vliegop wordt opgegeven dat het een variëteit van koolzaad is; bij spoorzaad dat het als groenvoer wordt gebruikt. [JG 1a, 1b, 2b; monogr.]
I-5
|
| 33270 |
koolzaadolie |
smout:
smau̯.t (L360p Bree)
|
De olie die uit koolzaad wordt geslagen. Al sinds lang gebeurt dit olieslaan uit kool-, raap- en lijnzaad niet meer op de boerderij, maar industrieel. In Limburg is smout de gebruikelijke term voor koolzaadolie; de idiotica en het WNT zijn wat ruimer: ook voor lijnzaadolie en zelfs voor plantaardige olie in het algemeen vindt men er de benaming ɛsmoutɛ, maar in het Truierlands heeft smout ook een zeer algemene betekenis, ook smeerolie wordt eronder verstaan. Bij raapsmout wordt, in Q 9 maar ook elders, uitdrukkelijk opgegeven: "ook koolzaadolie". [JG 1a, 1b; monogr.]
I-5
|
| 21898 |
kooplustig |
koopachtig:
koopachtig (L360p Bree)
|
graag kopend, kooplustig [greeg, koopachtig] [N 89 (1982)]
III-3-1
|
| 21899 |
kooplustige vrouw |
opmaakster:
opmaakster (L360p Bree)
|
een vrouw die niet zuinig is [maakop, konkel] [N 89 (1982)]
III-3-1
|
| 21499 |
kooppenning |
godsgeld:
godsgeld (L360p Bree),
handgeld:
handgeldsj (L360p Bree)
|
het geld dat de koper, of huurder contant ontvangt om de overeenkomst te bevestigen [huurpenning, godspenning, handpenning, worrel, weerder] [N 89 (1982)] || Hoe noemt men bij u de kooppenning (gegeven als bewijs dat een koop gesloten is)? [ZND 17 (1935)]
III-3-1
|
| 21400 |
koopwaar |
waar:
waar (L360p Bree)
|
die goederen die gekocht en verkocht kunnen worden [waar, koopwaar, spul, marchandise, kramerij, artikel] [N 89 (1982)]
III-3-1
|
| 23216 |
koor |
koor:
de koer (L360p Bree),
op’t koer (L360p Bree),
’t koer van ein kēͅrk (L360p Bree),
oe lang
’tt koer van ein kēͅrk (L360p Bree)
|
Het (of de?) koor van de kerk. [ZND 28 (1938)]
III-3-3
|
| 23541 |
koorhemd |
koorhemd:
kuurhimme (L360p Bree)
|
Het korte witte kleed dat de priester over zijn toog draagt [rochet, superplie, koorhemd?]. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 23540 |
koorkap |
koorkap:
kuurkap (L360p Bree)
|
De koorkap [koeërmangtel?]. [N 96B (1989)]
III-3-3
|