| 33408 |
mestplank onder de zitstokken |
mestplank:
møstplaŋk (L360p Bree),
mestrek:
mø̜stręk (L360p Bree)
|
De plank onder de zitplaats van de kippen die dient om de mest op te vangen. In L 245, P 51,174, 222, Q 9, 77, 88, 93 en 118 kende men een dergelijke voorziening niet; daar vielen de uitwerpselen gewoon op de vloer. [N 5A, 63b; A 48, 16g]
I-6
|
| 32581 |
mestspade, mestmes |
mestschup:
[mest]šø̜p (L360p Bree)
|
Het voorwerp waarmee men het in het vorige lemma bedoelde werk verrichtte. Dit gereedschap werd ook wel gebruikt voor het afsteken van ingekuild veevoeder of geperst hooi. Van de onderstaande termen zijn er vele niet specifiek voor de meststeker: zij noemen een bepaald soort gerei dat ook voor ander werk te gebruiken is. Voor de varianten van mest zij verwezen naar het lemma (stal)mest. [N 18, 15 + 21d; N 5A, 50b; N 11A, 12; monogr.]
I-1
|
| 33622 |
mestvaalt |
mestem:
aan ZND 01 is hier toegevoed het materiaal van ZND 31 (1939), 019
meestem (L360p Bree),
mesthoop:
meͅsthoͅui.p (L360p Bree),
aan ZND 01 is hier toegevoed het materiaal van ZND 31 (1939), 019
mesthuip (L360p Bree),
mestmijt:
meͅstmī.t (L360p Bree)
|
[Goossens 1b (1960)] [ZND 01 (1922)]
I-7
|
| 34364 |
mestvarken |
vetvarken:
vętfɛ.rǝkǝ (L360p Bree)
|
Een varken dat gehouden worden om vet te mesten. [JG 1a, 1b, 2c; L 37, 49e; N C, add.; N 19, Q 111 add.; N 19, Q 204a add.; monogr.]
I-12
|
| 33878 |
met de benen zwaaien en bewegen tijdens het werpen |
slaan:
slǭn (L360p Bree)
|
[N 8, 53]
I-9
|
| 23632 |
met de collecteschaal rondgaan |
met de schaal rondgaan:
met de schaal rondgaan (L360p Bree)
|
Collecteren met de open schaal, met de schaal rondgaan. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 34453 |
met de horens stoten, gezegd van de bok |
stoten:
stutǝ (L360p Bree),
stȳǝtǝ (L360p Bree)
|
[N 19, 75]
I-12
|
| 34625 |
met de kar achteruit rijden |
achteruit varen:
axtǝrø̜u̯i̯t vārǝ (L360p Bree),
terug-uit varen:
trē̜i̯k˱ø̜u̯i̯t ˲vārǝ (L360p Bree)
|
Voor de voermansroep om het paard achteruit te doen gaan, zie wld I.10 onder het lemma achteruit. [N 17, 95 + 99]
I-13
|
| 17868 |
met de linkerhand |
met de linkerhand:
met de linkerhand (L360p Bree)
|
met de linkerhand [ZND 37 (1941)]
III-1-2
|
| 33863 |
met de poten dicht bijeen staan |
(te) eng staan:
eŋ stǭn (L360p Bree)
|
[N 8, 78a en 78b]
I-9
|