| 18696 |
gesteven voorstuk van een overhemd |
borstlap:
boslap (Q071p Diepenbeek)
|
voorstuk, gesteven ~ van een overhemd [fruntje, plastron] [N 23 (1964)]
III-1-3
|
| 23515 |
gestichte mis |
gestichte mis:
gestiechte mès (Q071p Diepenbeek)
|
Een gestichte H. Mis. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 18543 |
gestreepte broek |
fantasiebroek:
fantəzibrok (Q071p Diepenbeek)
|
broek, gestreepte ~ van jacquet of kort zwart pak [striepkesboks] [N 23 (1964)]
III-1-3
|
| 30641 |
getande spalter |
kam:
kamp (Q071p Diepenbeek)
|
Spalter waarvan het haar in afzonderlijke bundeltjes is verdeeld. De getande spalter wordt gebruikt bij het schilderen van de vezels van hout. Zie ook afb. 93b en de lemmata 'Spalter' en 'Draadtrekker'. [N 67, 36b]
II-9
|
| 18828 |
getob; tobben |
geklommel:
ook materiaal znd 23, 78: "Wanneer iets na lang proberen maar niet wil lukken zegt men: wat een ....., gesukkel
gəkloməl (Q071p Diepenbeek),
gemartel:
gemattel (Q071p Diepenbeek),
ook materiaal znd 23, 78: "Wanneer iets na lang proberen maar niet wil lukken zegt men: wat een ....., gesukkel
gemattel (Q071p Diepenbeek),
gəmatəl (Q071p Diepenbeek),
gesukkel:
ook materiaal znd 23, 78: "Wanneer iets na lang proberen maar niet wil lukken zegt men: wat een ....., gesukkel
gəsøͅgəl (Q071p Diepenbeek),
nijs:
ook materiaal znd 23, 78: "Wanneer iets na lang proberen maar niet wil lukken zegt men: wat een ....., gesukkel
nees (Q071p Diepenbeek)
|
gemartel [ZND 01 (1922)] || gesukkel
III-1-4
|
| 20315 |
getrouwde vrouw |
getrouwde vrouw:
gətróódə vrów (Q071p Diepenbeek)
|
getrouwde vrouw; een - - moet kunnen naaien [RND]
III-2-2
|
| 20369 |
getuige |
bruidsjong:
broatsjong (Q071p Diepenbeek),
getuige:
gətuigə (Q071p Diepenbeek)
|
getuige zijn bij een huwelijk [getuigen zijn, bronken] [N 115 (2003)] || iemand die voor de rechter een verklaring aflegt over te bewijzen feiten [toon, getuige] [N 90 (1982)]
III-2-2, III-3-1
|
| 21321 |
getuigen |
tuigen:
tuigen (Q071p Diepenbeek)
|
getuigen [ZND 24 (1937)]
III-3-1
|
| 21725 |
getuigenis |
getuigenis:
gətuigənis (Q071p Diepenbeek)
|
de verklaring die men als getuige aflegt over een persoon of een zaak [toon, getuige, getuigenis] [N 90 (1982)]
III-3-1
|
| 33387 |
getuigkast |
getuigkast:
gǝtø̜̄xkās (Q071p Diepenbeek)
|
Een kast, ook wel kist of bak, waarin het getuig van het paard (vooral het kostbare zadel en de haam) bewaard wordt. Op grote boerderijen (of bij welvarende mensen) is er wel eens een apart vertrek voor het getuig, maar dit komt slechts zelden voor. Een kast voor het paardetuig is onbekend in L 320a, 324, 330, 369, Q 113, 198b en 203b. Meestal hangt men het getuig aan haken of balkjes in de muur (K 278, L 271, 318, 322, 372, 413, 429a, P 107a, Q 4, 78, 111 en 193). In L 282 wordt het getuig op een ezel gelegd. Benamingen die niet een kast, kist of bak betreffen, zijn overgeplaatst naar het lemma "getuigrek" (2.3.8). Zie ook dat lemma. [N 13, 81]
I-6
|