| 23718 |
kralen van de rozenkrans |
bolletjes:
beullekes (Q071p Diepenbeek)
|
De kralen van de rozenkrans [de kralle, krelkes, kraole, kräölkes?]. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 32072 |
kram |
kennef:
kē̜nǝf (Q071p Diepenbeek)
|
Oog, haak of kram waarin het slaghout gestoken werd om het vast te zetten. [N 17, 21; N G, 56g]
I-13
|
| 32239 |
kram voor de steunhouten van het hoogsel |
ijzer:
ē̜.zǝr (Q071p Diepenbeek)
|
Elk van de U-vormige krammen aan de zijkant van de zijwand van een karbak, waarin de steunhouten van het hoogsel gestoken kunnen worden. [JG, 1a]
II-12
|
| 21340 |
kramer |
foorkramer:
foorkramer (Q071p Diepenbeek),
kramer:
leurder
kreimer (Q071p Diepenbeek)
|
Kramer. [ZND 36 (1941)]
III-3-1
|
| 24197 |
kramsvogel |
kramluister:
Frings
kramlø͂ͅstər (Q071p Diepenbeek),
sjakker:
chakker (Q071p Diepenbeek)
|
kramsvogel || kramsvogel (25 groter dan koperwiek [021]; vaak in diens gezelschap; heeft grijze kop en stuit; ook alleen wintervogel; roep [tjak-tjak-tjak] [N 09 (1961)]
III-4-1
|
| 21342 |
krant |
gazet (<fr.):
gəzät (Q071p Diepenbeek)
|
krant [ZND 17 (1935)]
III-3-1
|
| 31339 |
kraspen |
kraspin:
krāspęn (Q071p Diepenbeek)
|
In het algemeen een werktuig waarmee de metaalbewerker de afmetingen van een werkstuk op het plaatmateriaal aftekent. Het bestaat doorgaans uit een spitse stalen of koperen stift die soms in een houten heft gevat kan zijn. Zie ook afb. 71. [N 33, 245; N 64, 82a; N 64, 82c; monogr.]
II-11
|
| 25034 |
krassen |
krassen:
krassen (Q071p Diepenbeek),
krassen maken:
ps. deels omgespeld volgens Grootaers.
krasə [mōͅkən (Q071p Diepenbeek),
kretsen:
kretsən (Q071p Diepenbeek)
|
het geluid geven van een scherp voorwerp dat over een hard oppervlak schraapt [skratsen, krassen, kratsen] [N 91 (1982)] || krassen [ZND 01 (1922)]
III-4-4
|
| 21031 |
kreeft |
krab:
ook in ZND 28, 048
krab (Q071p Diepenbeek),
kreeft:
krāēft (Q071p Diepenbeek),
ook in ZND 28, 048
kreͅft (Q071p Diepenbeek)
|
kreeft [Willems (1885)], [ZND 01 (1922)]
III-2-3
|
| 24339 |
krekel |
krekel:
krīēkel (Q071p Diepenbeek)
|
krekel [Willems (1885)]
III-4-2
|