| 24449 |
ringrups |
ringrups:
reͅŋröps (Q071p Diepenbeek)
|
ringelrups, ringrups, kleurig gestreepte rups van de vlinder die zijn eitjes in een ring om de takken van bomen ne heesters legt [N 26 (1964)]
III-4-2
|
| 23645 |
rinkelen met de altaarbel |
bellen:
bellen (Q071p Diepenbeek)
|
Met deze bel rinkelen, bellen, schellen. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 20792 |
rins |
amper:
ampər (Q071p Diepenbeek),
rins:
reͅnsɛ botər (Q071p Diepenbeek),
sterk:
stɛrkə botər (Q071p Diepenbeek),
zurig:
zoerig (Q071p Diepenbeek)
|
Een rinse smaak (zuurzoet, gelijk sommige suikerbonbons). [ZND 41 (1943)] || lichtelijk zuur smakend (rins, zurig) [N 91 (1982)]
III-2-3
|
| 21214 |
riool |
rigole (fr.):
rəgol (Q071p Diepenbeek)
|
het stelsel van buizen en kanalen voor het afvoeren v an vuil water [riool, geul, grip] [N 90 (1982)]
III-3-1
|
| 28795 |
ripszijde |
ripzijde:
repzęj (Q071p Diepenbeek)
|
Zware zijde geweven in fijne ribbels. [N 62, 79b]
II-7
|
| 21200 |
rit |
toer (<fr.):
toer (Q071p Diepenbeek)
|
de afstand afgelegd te paard, per fiets, per auto of op de schaats (tocht, rit) [N 90 (1982)]
III-3-1
|
| 24409 |
ritnaald, larve van de kniptor |
koperworm:
kōpərwørəm (Q071p Diepenbeek)
|
ritnaald, koperworm, schadelijke kniptor-larve die van plantenwortels leeft [N 26 (1964)]
III-4-2
|
| 25039 |
ritselen |
wiemelen:
wiemələn (Q071p Diepenbeek)
|
een zacht, onregelmatig, schuifelend, ruisend of krakend geluid geven [ritselen, rispelen, snirsen, krimmelen] [N 91 (1982)]
III-4-4
|
| 18214 |
ritssluiting |
rits:
rits (Q071p Diepenbeek),
tirette:
tiręt (Q071p Diepenbeek),
tirette (fr.):
tierèt (Q071p Diepenbeek),
tiret (Q071p Diepenbeek)
|
Hoe noemt U een ritssluiting? [N 62 (1973)] || ritssluiting || Ritssluiting [DC 64 (1989)] || Treksluiting, sluitmiddel voor kleppen van kledingstukken, tassen en dergelijke, bestaande uit twee stroken met metalen klauwtjes die door een verschuifbaar plaatje in elkaar gehaakt worden (Van Dale, pag. 2417). [N 62, 63; MW]
II-7, III-1-3
|
| 24647 |
robinia |
acacia:
acacia (Q071p Diepenbeek)
|
Hoe noemt U: acacia [N 50 (1972)]
III-4-3
|