| 20287 |
speen |
tet:
tet (Q071p Diepenbeek)
|
speen; een gummidop op een zuigfles [speen, fiep, frutter, tutter, toetje, fiepke, frut, stiekse] [N 115 (2003)]
III-2-2
|
| 34114 |
speen van de koe |
deem:
døm (Q071p Diepenbeek),
dø̜m (Q071p Diepenbeek)
|
[N C, 12; JG 1a, 1b; A 30, 6a; L 8, 24b; L 14, 27b; L 49, 6a; monogr.]
I-11
|
| 20630 |
spek |
spek:
spɛk (Q071p Diepenbeek),
verzamelfiche, ook mat. van ZND 1a-m
speͅk (Q071p Diepenbeek)
|
het vaste vet tussen vlees en huid van de varkens [Goossens 1a (1955)] || spek [ZND 23 (1937)]
III-2-3
|
| 25457 |
spekhaak |
spekhaak:
spɛkhǭk (Q071p Diepenbeek),
vleeshaak:
vlīshōk (Q071p Diepenbeek)
|
De S-vormige haak waaraan vlees, spek enz. na het lossnijden uit het lijf worden opgehangen. [N 28, 112; monogr.]
II-1
|
| 28456 |
spekraat |
spekraat:
(mv)
spɛkroatǝ (Q071p Diepenbeek)
|
Nieuwe raat waarin veel honing zit. De normale afstand tussen de raten is 35-40 mm hart op hart. De bijen kunnen de bovenste cellenreeksen zo ver uittrekken dat de raten elkaar bijna en op enige punten zelfs geheel raken. Deze cellen zijn doorgaans ongeschikt om erin te broeden maar voor het opbergen van honing zijn ze ideaal. Volgens de informant van L 215a is deze honing wel moeilijk te slingeren. [N 63, 13g]
II-6
|
| 22841 |
spel (alg.) |
spel:
speehl (Q071p Diepenbeek),
speel (Q071p Diepenbeek)
|
spel [GTRP (1980-1995)] || Spel. [Willems (1885)]
III-3-2
|
| 18390 |
speld |
spelde:
spęl (Q071p Diepenbeek),
spɛl (Q071p Diepenbeek)
|
Puntig, van een kop voorzien metalen stiftje om iets in weefsel vast te steken of te bevestigen op of aan iets anders. [N 62, 50a; L 7, 20; L 14, 24; L B1, 73; R 14, 8a; MW; Wi 7; S 34; monogr.]
II-7
|
| 28970 |
spelden |
toespelden:
tǫwspɛlǝn (Q071p Diepenbeek)
|
Met spelden stukken kleding of panden aan elkaar vastspelden. [N 59, 74; L 7, 20; S 34]
II-7
|
| 28884 |
speldenkussen |
speldenkussen:
spɛlǝkøsǝ (Q071p Diepenbeek),
spɛlǝkø̜jsǝ (Q071p Diepenbeek)
|
Kussentje waarop men de spelden en naalden steekt. De informant van Q 198 merkt op dat hij de naalden op zijn vest (kamizool) of op een stukje stof aan de muur speldde. Zie afb. 11. [N 59, 13a; N 62 68; L 45, 19; Gi 1.IV, 64; MW; monogr]
II-7
|
| 30899 |
speldnagel, oppinnagel |
speldenagel:
spɛlnāgǝl (Q071p Diepenbeek)
|
De spijker waarmee men de bovenzool voor en achter voorlopig vastzet, een oppinspijker. [N 60, 202a; N 60, 202b; N 60, 235; N 60, 101]
II-10
|