23907 |
van de duivel bezeten |
door de duivel bezeten:
dwèr den dievel bezète (Q086p Eigenbilzen),
van de duivel bezeten:
van den dievel bezèète (Q086p Eigenbilzen)
|
Van de duivel bezeten [mit der duvel bezaese]. [N 96D (1989)]
III-3-3
|
28834 |
van een bepaald patroon voorzien |
geruit:
gǝrōt (Q086p Eigenbilzen)
|
Een bepaald patroon is niet één specifiek patroon, maar kan blijkens de opgaven variëren. [N 62, 74b; MW]
II-7
|
20474 |
van hoge afkomst |
van hoge afkomst:
van hŏĕg aafkóóms (Q086p Eigenbilzen),
van hŏĕggə aafkoms (Q086p Eigenbilzen)
|
van hoge afkomst; hij is - - - [ZND 19 (1936)]
III-2-2
|
22355 |
van zijn plaats rollen |
uitdraaien:
is uitgedraaid (Q086p Eigenbilzen)
|
van zijn plaats rollen, gezegd van een tol die uitgedraaid is [binnen, birzen, bizzen, brienen] [N 112 (2006)]
III-3-2
|
17824 |
vangen |
vangen:
vangen (Q086p Eigenbilzen)
|
vangen [ZND 25 (1937)]
III-1-2
|
18808 |
vanzelfsprekend |
natuurlijk:
das nattierlek (Q086p Eigenbilzen),
da’s natierlik (Q086p Eigenbilzen)
|
Dat is natuurlijk. [ZND 37 (1941)]
III-1-4
|
24518 |
varen (alg.) |
vaam:
vaom (Q086p Eigenbilzen),
-
vaom (Q086p Eigenbilzen)
|
varen || Varen, een exemplaar van de klasse van overblijvende sporendragende planten (varen, varink, portemonnaie, paddevaal, vaar, foezjéér, vlaander, hanekam) [N 92 (1982)]
III-4-3
|
34316 |
varken van acht tot twaalf weken |
scheut:
šu̯ø̜t (Q086p Eigenbilzen),
scheutje:
šitšǝ (Q086p Eigenbilzen)
|
De benamingen duiden doorgaans op een big van acht tot twaalf weken. Het gewicht van dit varken varieert van ongeveer 30 kg tot ongeveer 50 kg. [N 19, 4a; N 76, 3c; N C, 9c; JG 1a, 1b, 2c; L 37, 49b; L 37, 49e; L 3, 2b; L 1a-m; A 4, 4b; Gwn; monogr.; N C, add.; N 19, Q 111 add.]
I-12
|
34317 |
varken van drie tot vijf maanden |
broeiling:
brɛleŋ (Q086p Eigenbilzen)
|
Een halfvet varken van 50 tot 80 kg. Volgens het WNT (III, 1 p. 1460) is een broeiling een "speenvarken", eigenlijk een "varken geschikt om te broeien". Het gaat hier dus om een varken dat zo goed als slachtklaar is. [N 76, 3d; JG 1b, 1c, 1d, 2c; N 19, 8; L 37, 49f; N 19, 4a; A 4, 4b; monogr.; N 19, Q 111 add.]
I-12
|
33359 |
varkensketel |
varkensketel:
vɛrǝkǝski̯ɛtǝl (Q086p Eigenbilzen)
|
De ketel waarin het varkensvoer gekookt en gemengd wordt. Soms is het dezelfde ketel als die waarin het voer voor de koeien bereid wordt. Zie verder het lemma "veevoerkookketel" (2.2.10). [JG 1a; L 36, 96c; monogr.; add. uit A 13, 19c]
I-6
|