| 19578 |
kandelaar |
luchter:
luuchter (Q198p Eijsden)
|
lamp/ luchter; inventarisatie soorten en gebruiksmogelijkheden; betekenis/uitspraak [N 20 (zj)]
III-2-1
|
| 18677 |
kap van een lange schoudermantel |
kap:
kap (Q198p Eijsden)
|
kap van lange schoudermantel zonder mantel [kovel, keuvel] [N 23 (1964)]
III-1-3
|
| 29946 |
kaphamer |
kaphamer:
kaphǭǝmǝr (Q198p Eijsden)
|
Metselaarsgereedschap dat wordt gebruikt voor het behakken van metselstenen. De kop van de bikhamer heeft aan één uiteinde een horizontale, spits toelopende staart, terwijl het andere uiteinde van een verticale, spits toelopende staart is voorzien. Er bestaan ook uitvoeringen waarvan de kop aan één kant is uitgevoerd met een dik vierkant uiteinde, terwijl de andere kant een horizontaal spits toelopende staart heeft. Zie ook afb. 8. Het woord 'verkeerhamer' werd volgens Van Houcke (pag. 132) in Turnhout en omgeving gebruikt. [N 30, 15a; monogr.]
II-9
|
| 29949 |
kapheep |
zeissel:
zęsǝl (Q198p Eijsden)
|
Hakmes waarmee men mortelresten van oude metselstenen verwijdert. Zie ook afb 10. [N 30, 15d; monogr.]
II-9
|
| 18293 |
kapmantel |
caban (fr.):
kabao (Q198p Eijsden),
cache-misre (<fr.):
cache-misère (Q198p Eijsden),
[Scherts.?, rk]
cache-misère (Q198p Eijsden)
|
kapmantel, grote zwarte ~, zeer ruime aan de hals gerimpelde cape die tot de voeten reikt en voorzien is van een grote muts [mantielie] [N 25 (1964)] || schoudermantel, lange ~ zonder mouwen maar met een kap [kapmantel, kabang, kaban, foek, hoek, schommantel] [N 23 (1964)]
III-1-3
|
| 18176 |
kapothoedje |
kapotje (<fr.):
Een nauw om het hoofd sluitend hoedje.
keputsje (Q198p Eijsden)
|
kepothoedje, kaputje, in de betekenis van hoofddeksel; betekenis/uitspraak [N 25 (1964)]
III-1-3
|
| 33279 |
kapucijner, velderwt |
struu-erwten:
štrȳērtǝ (Q198p Eijsden),
velderwten:
vɛltērtǝ (Q198p Eijsden),
vɛltɛrtǝ (Q198p Eijsden)
|
Pisum sativum L. subsp. arvense (L.) A. et G. De meest geteelde variëteit van de veld- of akkererwten is wel de kapucijner met grauwe gedeukte erwten, die na het koken geheel bruin worden. Bij de opgave struikerwt wordt aangetekend: "men heeft hiervoor geen rijshouten nodig, zoals in de moestuin". Voor struu "stro" zie aflevering I.4, lemma Stro. [N P, 24a en 24b; monogr.; add. uit JG 1b]
I-5
|
| 21760 |
kar |
kar:
kar (Q198p Eijsden)
|
Algemene benaming voor een voertuig met twee wielen (in Haspengouw mogelijk ook drie wielen, maar die zijn zeldzaam) met een lamoen waarin een paard gespannen wordt. Meestal wordt het gebruikt om lasten van enige omvang te vervoeren. Vroeger had de kar over het algemeen houten wielen, maar in de jaren na de tweede wereldoorlog werden die geleidelijk aan vervangen door wielen met luchtbanden. [N 17, add; A 2, 55; Wi 14; Gi, 15; S 17; L 1a-m; L 27, 28; R 12, 23; RND, 74; JG 1b; N 17, 4; monogr.]
I-13
|
| 18944 |
karakter (aard) |
aard:
oird (Q198p Eijsden),
karakter:
karakter (Q198p Eijsden)
|
aard (karakter) [SGV (1914)] || karakter [SGV (1914)]
III-1-4
|
| 20653 |
karnemelk |
botermelk:
buǝtǝrmē̜lǝq (Q198p Eijsden),
būǝtǝrmɛ̄lk (Q198p Eijsden)
|
De voeistof die van de room overblijft als de boter gemaakt is. Op de kaart is het woordtype botermelk niet opgenomen. [L 1u, 103; L 27, 30; JG 1a, 1b; R 3, 49 en 71; S 17; S 23 add.; A 7, 16; RND 100; Gwn 10, 3; Vld.; monogr.]
I-11
|