| 24513 |
kiem |
zaad:
zood (L353p Eksel)
|
De in het rijpe zaad ingesloten aanleg tot een nieuwe plant (kiem, scheut). [N 82 (1981)]
III-4-3
|
| 24496 |
kiemen |
kiemen:
kiemen (L353p Eksel),
schieten:
schieten (L353p Eksel)
|
Uit de kiem opgroeien, gezegd van planten (uitbotten, kesemen). [N 82 (1981)] || Uitkomen, gezegd van zaden (kesemen, kersten, kenen). [N 82 (1981)]
III-4-3
|
| 33163 |
kiemen, schieten, botten van pootaardappelen |
schieten:
sxitǝ (L353p Eksel)
|
J. Goossens heeft in zijn enquêtes twee begrippen afgevraagd: "kiemen" (algemeen van een zaadje) en "botten" (gezegd van een pootaardappel, wanneer deze in de kiembak ligt); afgezien van een klein fonetisch detail zijn er géén afwijkingen tussen beide lijsten van antwoorden, behoudens in P 187, waar "botten" jongen (wellicht schertsend?) is; in Q 3, 5, 9 en 187a waar voor de aardappel botten wordt gegeven (wellicht invloed van de cultuurtaal) en in Q 156 waar voor de aardappels ze zijn gehikt werd opgegeven. De opgaven van beide lijsten zijn derhalve in dit lemma samengenomen. Kienen moet begrepen worden als een contaminatie van kiemen (voor de klinker) en kijnen (voor de slotmedeklinker). Zie ook de toelichting bij het voorgaande lemma Scheut. [N M, 16b; JG 1a, 1b, 2c; monogr.; add. uit S 17]
I-5
|
| 22399 |
kien! |
kien:
kien (L353p Eksel)
|
Wat roept de speler als hij een rijtje bezet heeft? [katern, hammeke, kien]. [N 88 (1982)]
III-3-2
|
| 22398 |
kienen |
kienen:
kienen (L353p Eksel)
|
Het spel waarbij de spelers elk één of meer kaarten hebben met daarop een aantal cijfers tussen 1 en 90. Die cijfers moeten opgevuld worden; ze worden willekeurig opgeroepen; winnaar is degene die het eerst een rij vol heeft [kienen, lotto, kienspel]. [N 88 (1982)]
III-3-2
|
| 17764 |
kies |
dobbele tand:
dobbel taən (L353p Eksel),
dobbele tand (L353p Eksel),
dŏbələ tānt (L353p Eksel)
|
baktand [ZND 01u (1924)] || Baktanden (dikke tanden). [ZND 07 (1924)] || een baktand (dikke tand) [ZND B1 (1940sq)]
III-1-1
|
| 20592 |
kieskauwen |
pieleken:
pieleken (L353p Eksel)
|
zonder eetlust eten; Hoe noemt U: Traag en zonder eetlust eten (pieliën) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 20498 |
kieskauwer |
knetser:
knetzer (L353p Eksel)
|
lastig met eten; Hoe noemt U: Lastig met eten, gezegd van iemand die altijd weinig eet [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 18818 |
kieskeurig |
on-content:
onkontent (L353p Eksel)
|
niet gauw tevreden met de kwaliteit van iets dat men wil aanschaffen; met een moeilijk te bevredigen smaak [kieskeurig, lekker, lakker] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 17919 |
kietelen |
kietelen:
kietelen (L353p Eksel),
krevelen:
krivələn (L353p Eksel),
krĭvələn (L353p Eksel),
kriemelen:
kriemelen (L353p Eksel)
|
Kietelen, kriebelen: de huid op gevoelige plaatsen licht aanraken, bijv. uit plagerij; kriebelen (kietelen, kriebelen, kielen, kriekelen,krevelen). [N 84 (1981)] || kittelen [ZND 01u (1924)], [ZND B1 (1940sq)] || kittelen, kriebelen [ZND A1 (1940sq)]
III-1-2
|