| 20121 |
spinnen |
snorren:
snoͅrən (L353p Eksel),
spinnen:
spenǝ (L353p Eksel)
|
De handeling die met behulp van een spinnewiel werd verricht. Vooral voor vlas en hennep was het raadzaam de spinvingers nat te houden tijdens het spinnen. Hiervoor had men een klein potje met water aan rokken of wiel hangen (Weyns, pag. 844-845). Soms werden daartoe ook wel kleine, twee-orige kruikjes van ongeveer 7 cm hoog gebruikt, gebakken onder andere te Raeren. [N 34, C; RND 3; Wi 27; S 34; monogr.] || spinnen [Goossens 1b (1960)]
II-7, III-2-1
|
| 24381 |
spinnenweb |
spinnengeweef:
spinnegeweef (L353p Eksel),
Veldeke
spinnegewief (L353p Eksel),
spinnenweb:
spenəwəp (L353p Eksel),
spinnenweef:
spenəwēf (L353p Eksel)
|
spinnenweb [RND], [ZND 07 (1924)], [ZND B2 (1940sq)] || spinneweb [N 26 (1964)]
III-4-2
|
| 24658 |
spint, zachte houtlaag onder de schors |
spek:
spek (L353p Eksel)
|
De jonge zachte houtlaag onder de schors (spint, bast). [N 82 (1981)]
III-4-3
|
| 19451 |
spionnetje, kijkgaatje |
loerkotje:
lurkø̄təkə (L353p Eksel)
|
Raampje of gaatje in de deur om te zien wie er voor de deur staat (kijkvenstertje, oog, kijkgaatje) [N 79 (1979)]
III-2-1
|
| 18088 |
spit |
verschot:
lumbago
verschooët (L353p Eksel),
{v\\rscho.\\t}
verschoot (L353p Eksel)
|
Ischias: ontsteking van de heupzenuw, heupjicht (geschot, steek(te), pleurijs). [N 84 (1981)] || Ischias: ontsteking van de heupzenuw, heupjicht (ischias, geschot, steek(te), pleurijs, flerecijn). [N 107 (2001)]
III-1-2
|
| 33096 |
spits, kop van de mijt |
kap:
kap (L353p Eksel)
|
Het bovenste stukje van het dak van de korenmijt. Zie de toelichting bij het lemma ''buitenstaande korenmijt'' (5.1.18). [JG 1a, 1b; monogr.]
I-4
|
| 33589 |
spitskool |
sluitkool:
sluutkuël (L353p Eksel)
|
De koolsoort met puntig toelopende kroppen; spitskool (spitskool, suikertop, kegel). [N 82 (1981)]
I-7
|
| 24359 |
spitsmuis |
veldmuis:
WLD [vltmu:s]
veldmoes (L353p Eksel)
|
Hoe noemt u het insektenetend diertje, veel op een muis lijkend, met spitse kop, dunne poten en een vrij lange staart (spitsmuis, dol, aardbol) [N 83 (1981)]
III-4-2
|
| 32749 |
spitten |
spaden:
spǭi̯ǝ(n) (L353p Eksel),
spǭǝn (L353p Eksel)
|
In de tuin, op een zeer klein perceel of een moeilijk te ploegen hoek van een akker de grond met een spade - al dan niet in voren - uitsteken en omkeren. De simplicia spaden, graven e.d. zijn bij absoluut gebruik van toepassing op het spitwerk als zodanig. Meestal kunnen ze ook transitief gebruikt worden met het te bewerken stuk grond (de tuin e.d.) als object. [N 11, 65a; N 11A, 146a + b + c; N 11A, 50b add; RND 4 + 7 + 8 + 10, zin 4; A 33, 6 + 7 + 16 add.; L 7, 25; S 34; Lu 1, 1c; monogr.; div.]
I-1
|
| 24706 |
splitsing van de stam |
gaffel:
gaffel (L353p Eksel)
|
Het deel van de boom waar de stam zich in tweeën splitst (gaffel, mik, vork). [N 82 (1981)]
III-4-3
|