e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... plaats=Elsloo

Overzicht

Gevonden: 697
BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
woensdagx goensdag: goonsdig (Elsloo, ... ) dag; woensdag [N 07 (1961)] III-4-4
woest, onachtzaam lopen lopen wie een wilde: wie eine wilje laope (Elsloo) lopen: woest, onachtzaam lopen [ragge, bollieje] [N 10 (1961)] III-1-2
wreef wreef: vrief (Elsloo, ... ) wreef - welk gedeelte van het lichaam wordt er mee bedoeld? [DC 01 (1931)] III-1-1
zaaien zaaien: zi̯ɛi̯ǝ (Elsloo) [N 15, 1a; JG 1a, 1b; A 2, 70; L A2, 234; L 8, 102; L 24, 6a; S 45; Wi 40; RND 111; monogr.] I-4
zand droog zand: drø̄̄ǝx ˲zę ̞ntj (Elsloo) Zeer fijn en droog zand, gebruikt om de binnenkant van de vormen van een dun laagje te voorzien. Volgens de invullers uit Q 121b en Q 211 werd het zand gedroogd en gezift (j\drȳxt˱ ę ̞n j\zeft). [monogr.] II-8
zandbak zandbak: zę ̞ntj˱bak (Elsloo) Bak waarin een voorraad zand voor het zanden van de vormen werd opgeslagen. [N 98, 81; monogr.] II-8
zandbergplaats zandhuisje: zę ̞ntjhȳskǝ (Elsloo) [monogr.] II-8
zeggen zeggen: zêggən (Elsloo) zeggen; ik ben bij de vrouw geweest en heb het tegen haar gezegd; ze zeide, dat ze het ook aan haar dochter zou - [DC 03 (1934)] III-3-1
zelfkant neg: nɛx (Elsloo) Elk der zijkanten van enig weefsel, in de lengterichting van het doek, meestal versterkt geweven. [N 39, 124e] II-7
zenuw zenuw: zenuw (Elsloo) zenuw [zeen] [N 10 (1961)] III-1-1