24907 |
woensdagx |
goensdag:
goonsdig (Q017p Elsloo, ...
Q017p Elsloo,
Q017p Elsloo)
|
dag; woensdag [N 07 (1961)]
III-4-4
|
17940 |
woest, onachtzaam lopen |
lopen wie een wilde:
wie eine wilje laope (Q017p Elsloo)
|
lopen: woest, onachtzaam lopen [ragge, bollieje] [N 10 (1961)]
III-1-2
|
17679 |
wreef |
wreef:
vrief (Q017p Elsloo, ...
Q017p Elsloo)
|
wreef - welk gedeelte van het lichaam wordt er mee bedoeld? [DC 01 (1931)]
III-1-1
|
32996 |
zaaien |
zaaien:
zi̯ɛi̯ǝ (Q017p Elsloo)
|
[N 15, 1a; JG 1a, 1b; A 2, 70; L A2, 234; L 8, 102; L 24, 6a; S 45; Wi 40; RND 111; monogr.]
I-4
|
22195 |
zand |
droog zand:
drø̄̄ǝx ˲zę ̞ntj (Q017p Elsloo)
|
Zeer fijn en droog zand, gebruikt om de binnenkant van de vormen van een dun laagje te voorzien. Volgens de invullers uit Q 121b en Q 211 werd het zand gedroogd en gezift (j\drȳxt˱ ę ̞n j\zeft). [monogr.]
II-8
|
29682 |
zandbak |
zandbak:
zę ̞ntj˱bak (Q017p Elsloo)
|
Bak waarin een voorraad zand voor het zanden van de vormen werd opgeslagen. [N 98, 81; monogr.]
II-8
|
29684 |
zandbergplaats |
zandhuisje:
zę ̞ntjhȳskǝ (Q017p Elsloo)
|
[monogr.]
II-8
|
21404 |
zeggen |
zeggen:
zêggən (Q017p Elsloo)
|
zeggen; ik ben bij de vrouw geweest en heb het tegen haar gezegd; ze zeide, dat ze het ook aan haar dochter zou - [DC 03 (1934)]
III-3-1
|
28828 |
zelfkant |
neg:
nɛx (Q017p Elsloo)
|
Elk der zijkanten van enig weefsel, in de lengterichting van het doek, meestal versterkt geweven. [N 39, 124e]
II-7
|
17681 |
zenuw |
zenuw:
zenuw (Q017p Elsloo)
|
zenuw [zeen] [N 10 (1961)]
III-1-1
|