| 25600 |
een gleuf aanbrengen in het deegbrood |
snijden:
šni-jǝ (Q021p Geleen)
|
Met de schaar of het mes een gleuf aanbrengen in het deegbrood. Volgens de informant van L 330 wordt dit "knippen" gedaan om het rijzen te bevorderen bij slechte deeg. [N 29, 44a]
II-1
|
| 34523 |
een haan snijden |
kapuinen:
kapūnǝ (Q021p Geleen)
|
Een haan castreren. [N 19, 60b; monogr.]
I-12
|
| 21991 |
een hoog bedrag op één duif zetten |
gokken:
gokke (Q021p Geleen),
pratsvol:
pratsch volle (Q021p Geleen)
|
Hoe heten de volgende combinatiemogelijkheden bij het inleggen/inzetten: een hoog bedrag op één duif zetten? [N 93 (1983)]
III-3-2
|
| 19855 |
een huis huren |
huren:
huren (Q021p Geleen),
hy(3)̄rə (Q021p Geleen),
pachten:
pachten (Q021p Geleen)
|
een huis huren [DC 35 (1963)] || huren [SGV (1914)]
III-2-1
|
| 21911 |
een jong pas uit het ei |
katsjongen:
katsj jonge (Q021p Geleen),
kleine jongen:
kleine jónge (Q021p Geleen)
|
een jong pas uit het ei? [N 93 (1983)]
III-3-2
|
| 20508 |
een kater hebben |
een kop hebben wie een rijthamer:
eine kop höbbe wie eine riethamer (Q021p Geleen),
onder de kar gekomen:
ongər de kàr gəkómmə (Q021p Geleen)
|
kater hebben; Hoe noemt U: Zich niet lekker voelen de dag na een flinke drinkpartij (een kater hebben) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 20175 |
een kind op de arm dragen |
dragen:
drage (Q021p Geleen)
|
een kind op de arm dragen [peizen] [N 87 (1981)]
III-2-2
|
| 21969 |
een klein plankje als zitplaats voor de duif |
schapje:
schapje (Q021p Geleen)
|
een klein plankje dienend als zitplaats voor de duif. Elke duif heeft zo meestal een vaste plaats. [N 93 (1983)]
III-3-2
|
| 27755 |
een koollaag meten |
opmeten:
ǫpmę̄tǝ (Q021p Geleen
[(Maurits)]
[Laura, Julia]),
uitmeten:
utmę̄tǝ (Q021p Geleen
[(Maurits)]
[Oranje-Nassau I, Oranje-Nassau II, Oranje-Nassau III, Oranje-Nassau IV])
|
Diktebepaling van de kolenlaag door meting. [N 95, 190; N 95, 191]
II-5
|
| 27923 |
een kophout plaatsen |
(een kophout) zetten:
zɛtǝ (Q021p Geleen
[(Maurits)]
[Emma])
|
Een voorlopige ondersteuning plaatsen tijdens de winning van een koollaag. Zie voor het object "kophout", "kopstijl" etc. het lemma Kophout. [N 95, 492; N 95, 291]
II-5
|