| 23272 |
kapelaan |
kapelaan:
keplaon (Q021p Geleen)
|
Een kapelaan [ôngerpastoeër]. [N 96D (1989)]
III-3-3
|
| 23489 |
kapelletje |
kapelletje:
kepelke (Q021p Geleen)
|
Een bedehuisje langs de weg of in het veld, gebouwd uit devotie voor een heilige of uit dankbaarheid voor verkregen gunsten [kapel, kapelleke, kapelke, kapelsje, heiligenhuisje, keske(=kastje)?]. [N 96A (1989)]
III-3-3
|
| 27935 |
kapschoen |
schoen:
šōn (Q021p Geleen
[(Maurits)]
[Maurits])
|
Los metalen verbindingselement tussen kap en stijl bij jukondersteuningen. Wat betreft het woordtype "Drescherkistje", deze term werd volgens een invuller uit Q 121 gebruikt voor een stuk ijzeren I-balk met breed profiel dat diende als verbinding tussen stijl en kap bij ijzeren betimmeringen. Het dankte zijn naam aan de uitvinder, de mijnwerker Drescher. Een respondent uit Q 121c voegt daar nog aan toe dat het een patent was van de Domaniale mijnmaatschappij. [N 95, 350; monogr.]
II-5
|
| 22254 |
kapucijn |
kapucijn:
gappesien (Q021p Geleen)
|
Een Capucijn [Kappesijn, bedelmonnik]. [N 96D (1989)]
III-3-3
|
| 21760 |
kar |
kar:
kar (Q021p Geleen)
|
Algemene benaming voor een voertuig met twee wielen (in Haspengouw mogelijk ook drie wielen, maar die zijn zeldzaam) met een lamoen waarin een paard gespannen wordt. Meestal wordt het gebruikt om lasten van enige omvang te vervoeren. Vroeger had de kar over het algemeen houten wielen, maar in de jaren na de tweede wereldoorlog werden die geleidelijk aan vervangen door wielen met luchtbanden. [N 17, add; A 2, 55; Wi 14; Gi, 15; S 17; L 1a-m; L 27, 28; R 12, 23; RND, 74; JG 1b; N 17, 4; monogr.]
I-13
|
| 18944 |
karakter (aard) |
aard:
aard (Q021p Geleen, ...
Q021p Geleen),
inborst:
inbors (Q021p Geleen)
|
de kenmerkelijke innerlijke, geestelijke eigenschappen waardoor de ene persoon zich van de andere onderscheidt [aard, karakter, tuk, inboezem] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 24072 |
kardinaal |
kardinaal (<fr.):
kardinaal (Q021p Geleen)
|
Een kardinaal. [N 96D (1989)]
III-3-3
|
| 20653 |
karnemelk |
botermelk:
bōtǝrmē̜lǝq (Q021p Geleen),
bōtǝrmęlk (Q021p Geleen),
bōtǝrmęlǝk (Q021p Geleen),
bōtǝrmɛlk (Q021p Geleen)
|
De voeistof die van de room overblijft als de boter gemaakt is. Op de kaart is het woordtype botermelk niet opgenomen. [L 1u, 103; L 27, 30; JG 1a, 1b; R 3, 49 en 71; S 17; S 23 add.; A 7, 16; RND 100; Gwn 10, 3; Vld.; monogr.]
I-11
|
| 20672 |
karnemelksepap |
botermelk:
Syst. WBD
bootermelk (Q021p Geleen)
|
Karnemelksepap (mölkepap, mölkezuip, zuipe?) [N 16 (1962)]
III-2-3
|
| 20673 |
karnemelksepap met roggezemelen |
zemelenpap:
Syst. WBD Zemelen werden eerst gezeefd.
zeemelepap (Q021p Geleen)
|
Karnemelksepap met roggezemelen (zemeleprut?) [N 16 (1962)]
III-2-3
|