| 20319 |
oude vrouw |
oud vrouwmens:
awt vroumesj (Q021p Geleen),
oud wijf:
auwt wief (Q021p Geleen)
|
oude vrouw [kogehel] [N 86 (1981)]
III-2-2
|
| 22317 |
oudejaarsavond |
oudejaarsavond:
auwejaorsaovend (Q021p Geleen),
awejaorsaovend (Q021p Geleen),
oudjaarsavond:
auwtjaorsaovent (Q021p Geleen)
|
31 december [oudjaar]. [N 88 (1982)] || De avond van 31 december, oudejaarsavond, Sint Silvesteravond [aldejaorsaovond]. [N 96C (1989)] || Oudejaarsavond [silvesteraovent]. [N 06 (1960)]
III-3-2
|
| 22318 |
oudejaarsdag |
oudejaar:
auwejaor (Q021p Geleen),
oudejaarsdag:
awejaorsdag (Q021p Geleen),
oudjaar:
auwtjaor (Q021p Geleen)
|
31 december, H. Silvester. [N 96C (1989)] || Oudejaarsdag. [N 06 (1960)]
III-3-2
|
| 20229 |
ouders |
ouders:
auwesj (Q021p Geleen),
au̯əš (Q021p Geleen)
|
ouders [SGV (1914)] || ouders; Komt dit woord in het dialect wel voor? [DC 05 (1937)]
III-2-2
|
| 18189 |
ouderwets |
ouderwets:
auwerwets (Q021p Geleen)
|
ouderwets [SGV (1914)]
III-1-3
|
| 25501 |
oven waarbij men in dezelfde ruimte stookt en bakt |
bakoven:
bakǭvǝn (Q021p Geleen)
|
De woordtypen "bakhuis", "burenoven", "veldoven", "ovenschap", "leemoven", "boerenoven" duiden op een oven in een bakhuis of op het bakhuis zelf. Moderner van vorm zijn de königswinteroven, ijzeren oven, kookoven, oliestookoven, heteluchtoven. De respondent van L 291 merkt op dat de königswinteroven in gebruik kwam vanaf 1915. [N 29, 1b; monogr.]
II-1
|
| 25504 |
ovendeur |
ovendeur:
ǭvǝndø̄r (Q021p Geleen)
|
Het deurtje kan van ijzer zijn of van hout. De houten vormen zijn in de regel ouder. De informant van L 289b zegt dat deze sluiting een plank met een natte zak kan zijn die met een lat of paal tegen de opening van de oven wordt gezet. De woordtypen "stop", "stopsel", "ovenstopsel" wijzen heel waarschijnlijk op een bepaalde vorm vaan dichten. Zo vermeldt Weyns (blz. 27) dat in Oost-Vlaanderen de deur hier en daar een houten blok, 15 cm dik, is dat, voor de gevulde oven geplaatst, met leem, modder, soms zelfs met koedrek gemengd met aarde, wordt dichtgesmeerd. [N 29, 2b; N 29, 2a; OB 2, 3b; OB 2, 3a; monogr.]
II-1
|
| 25506 |
ovengewelf |
hemel:
hēmǝl (Q021p Geleen)
|
De gewoonlijk in baksteen gemetselde wand die de binnenruimte van een oven afsluit. De toekomstige ovenholte wordt doorgaans eerst gevuld met zand, ook eens met turf en bovenop wat zand (Weyns blz. 24). Op de hoogte van het welfsel of de hemel moet men goed letten. Hij moet de vorm hebben van een half ei. Een te hoge hemel moet heter worden gestookt om goed te bakken; bij een te lage hemel zal het brood gemakkelijker verbranden. De antwoorden vallen in verschillende categorieën uiteen. De ene categorie geeft de hele bakruimte aan of de zijwand(en). Een tweede categorie duidt meer op de bovenkant van de oven, het gewelfde, terwijl een derde groep opgaven aangeeft van welke steensoort de muren gemaakt zijn. Vergelijk voor die laatste categorie het lemma ''steensoort die bij het bouwen van de oven is gebruikt''. Ten aanzien van het woordtype "vuring" zij opgemerkt dat de "vuring" in de steenbakkerij de brandmuur of afscheidingsmuur tussen de kamers in de vlamoven is (z. wbd ii afl. 1 blz. 66).' [N 29, 3; OB 2, 3b; monogr.]
II-1
|
| 25514 |
ovenkrabber |
rochelijzer:
rǫxǝlīzǝr (Q021p Geleen)
|
Werktuig, meestal van ijzer, om het vuur in de oven te verspreiden. Vergelijk het lemma ''werktuig waarmee de oven wordt leeggehaald''. Zie afb. 11. [N 29, 8b; N 29, 6; LB 2, 218; OB 2, 2f; monogr.]
II-1
|
| 25503 |
ovenmond |
vuring:
vȳreŋ (Q021p Geleen)
|
De opening in de oven waardoor brandstof en brood naar binnen worden geschoven. [N 29, 2a; OB 2, 3a; monogr.]
II-1
|