| 26597 |
leeglopen |
leeglopen:
leeglopen (L164p Gennep)
|
Het over elkaar gaan van de molenstenen zonder graan. De stenen kunnen dan sneller gaan draaien waardoor het gevaar ontstaat dat de molen heet loopt. [N O, 34o; Vds 116; Jan 260; Coe 142; Grof 167; N O, 36e]
II-3
|
| 18920 |
leegloper |
leegganger:
lêggênger (L164p Gennep),
Dèn lèèggénger mót nog leere ien zien ha.nd te spïjje
lèèggénger (L164p Gennep),
leegloper:
lèèglooper (L164p Gennep),
cf. VD s.v. "leegloper"= nietsdoener (anders dan nietsnut die "niet nuttig is")
lêgleuper (L164p Gennep),
oelewapper:
Da stèlleke uulewappers hèt nog noojt iets uutgevoe.rd
uulewapper (L164p Gennep)
|
een persoon die zonder iets te verrichten en zonder bezigheden rondloopt [leuteraar, leegloper] [N 85 (1981)] || leeglooper [SGV (1914)] || leegloper || oelewapper, waardeloze kerel
III-1-4
|
| 29437 |
leemkuil |
leemkuil:
lēmkȳl (L164p Gennep)
|
De put of kuil waarin de gedolven klei kan rotten. Het woordtype leemgat (L 163) duidde een kuil met een afmeting van 5x3x1.60 m waar water aan de gedolven klei werd toegevoegd. De leemkuil, eveneens in L 163, bevond zich in tegenstelling tot het leemgat in de buitenlucht. De klei in de leemkuil werd in L 163 met behulp van een houten hamer met een lange steel vast op elkaar geklopt om een vaste massa te krijgen. [N 49, 6; N 49, 16c]
II-8
|
| 30186 |
leemspecie |
leemspecie:
lēmspēsi (L164p Gennep),
specie:
spēsi (L164p Gennep)
|
Het mengsel van leem, koemest, strohaksel en in een aantal plaatsen ook varkens-, paarde-, of mensenhaar, waarmee het vlechtwerk wordt dichtgepleisterd. Zie voor het woorddeel 'kleen-' in het woordtype 'kleenleem' (Q 18) ook het lemma 'Bepleisteren'. [N 4A, 53c; N 31, 45c; div.]
II-9
|
| 19365 |
leep, doortrapt |
leep:
leep (L164p Gennep),
schlau (du.):
Zij lie.t Mieneke praote én da was slaw Hïj kiekt slaw uut zien ooge
slaw (L164p Gennep)
|
leep [SGV (1914)] || slim, sluw
III-1-4
|
| 21593 |
leerling |
schoolkind:
scholkīēnd (L164p Gennep)
|
de persoon [meestal een kind] dat onderwijs krijgt [leerder, leer] [N 90 (1982)]
III-3-1
|
| 30796 |
leerlooier |
looier:
lø̄jǝr (L164p Gennep)
|
Persoon die huiden bereidt tot leer door looiing. [S 22; monogr.]
II-10
|
| 30861 |
leest |
leest:
lę̄st (L164p Gennep)
|
De pasvorm, meestal van beukenhout, waaraan men de schoenen maakt. "De leest waarop de schoen gemaakt wordt, moet als het ware net een afgietsel zijn van de voet, en voor wat de stand aangaat, geschikt zijn volgens de hoogte der hiel waarvoor hij zal gebruikt worden" (Dierick, pag. 7). [N 60, 185a; N 60, 244a; L 1a-m; L 30, 8; S; monogr.]
II-10
|
| 22749 |
leeuw |
leeuw:
leeuw (L164p Gennep)
|
leeuw [SGV (1914)]
III-3-2
|
| 20110 |
leeuwenbek |
gaapmuil:
gaapmoel (L164p Gennep)
|
leeuwebekje
III-4-3
|