e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... plaats=Gennep

Overzicht

Gevonden: 4879

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
aardappelwiedhak krabber: krɛbǝr (Gennep) De hak die gebruikt wordt bij het wieden van een aardappelveld. Vaak is het hetzelfde stuk gereedschap als de aanhooghak. De zegsman van L 290 merkt op: "een door de smid omgebogen riek". Vergelijk ook het lemma Kromme Riek. Ook de mesthaak wordt voor dit doel benut; het is uitdrukkelijk opgegeven in: L 324, 378, 420, 0426, Q 39, 71, 111, 192, 198. Zie voor de fonetische documentatie het lemma Mesthaak in aflevering I.1, pag. 12. [N 12, 35; N 18, 58; monogr.] I-5
aardappelziekten streepziekte: streepziekte (Gennep) Door de intensieve cultuur van aardappelen en omdat men de pootaardappelen won uit de oogst van eigen veld van het jaar ervoor, was de aardappelplant bijzonder vatbaar voor allerlei ziekten. Het aantal ziekten is dan ook zeer groot en het aantal opgaven voor aardappelziekten navenant. Aan de hand van de opgaven is hier de volgende indeling aangehouden: schimmel- en bacterieziekten, virusziekten en voedingsziekten, telkens, waar mogelijk met enkele onderafdelingen. De bijzonderheden worden in het corpus van het lemma gegeven. Vergelijk ook het WBD, I, aflevering 8, 1478-1480. [N 12, 8; monogr.] I-5
aardbei aardbeer: èrd(s)bèèr (Gennep), aardsbeer: eͅrdsbeͅr (Gennep), èdsbèèr (Gennep), ètsbêr (Gennep), WLD  érdsbéér (Gennep), aardsbes: SGV ook wel  ètsbês (Gennep) [DC GV (1935) M]aardbei [SGV (1914)] || De bekende, fris smakende rode vrucht van de aardbeienplant (aadbissem, aardbeer, aardbees, jaarbees, aardbezie, freis). [N 82 (1981)] I-7
aardbeienvlaai aardbeienvlaai: Syst. Eijkman  ārt˂beͅi̯əflāi̯ (Gennep) Vla met vulling van aardbeien [N 16 (1962)] III-2-3
aarde, grond aarde: êrt (Gennep), zand: zaand (Gennep) aarde (grond) [SGV (1914)] || zand [SGV (1914)] III-4-4
aarden thuisvoelen: tŭŭs vŭŭlə (Gennep) zich op een andere plaats waar men zich gevestigd heeft, thuis gaan voelen [aarden, de aard krijgen] [N 85 (1981)] III-1-4
aarden pot aarden pot: ē̜rdǝn pǫt (Gennep) Aarden pot, bleekbruin van kleur. Dorren (Valkenburgs Woordenboek) merkt op pag. 15 over de term baar op: ø̄̄Naar de grootte onderscheidt men één-, twee- en drieschildersbaren, wijl ze gemerkt zijn met één, twee of drie schildjes (reliefstempels), met een inhoud van circa 20, 30 en 40 liter.ø̄̄ De driekroonse pot was een verglaasde pot voor het inmaken van zuurkool, braadworst en bonen. De pot was gemerkt met drie kroontjes en had een inhoud van 20 tot 50 liter. Het woordtype driekronenpot duidt waarschijnlijk een vergelijkbare pot aan. Zie hiervoor ook de toelichting bij het lemma ɛstroopvatɛ in wld II.2, pag. 59.' [N 49, 103b; L 1a-m; L 32, 15a; L 32, 15b; R 3, 5; S 1; monogr.] II-8
aardmannetje (kabouter) aardmannetje: ert kort uitgesproken  êrtmĕnneke (Gennep) aardmannetje [SGV (1914)] III-3-3
aarzelen dreumelen: Nie droemele, dörloope  droemele (Gennep), zie droemele  drummele (Gennep), niet durven: nie dörrevə (Gennep), nie dörvə (Gennep) aarzelen, dralen || bang om iets te doen, niet durven doen [aarzelen, twijfelen, tukken, treuzelen, teutelen, draaien] [N 85 (1981)] || uit besluiteloosheid zich weerhouden, niet goed durven [aarzelen, dubben, teutelen, pieraarzen, dobben] [N 85 (1981)] III-1-4
aas in het kaartspel aas: rŭŭtenoas (Gennep), Ik hèb drie öös, da is troela (kaartspel rikken).  aos (Gennep) Aas. || Aas: Ruiten aas. [SGV (1914)] III-3-2