e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... plaats=Geysteren

Overzicht

Gevonden: 1782

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
baksel baksel: baksǝl (Geysteren) Hoeveelheid deeg die in één keer gebakken wordt. Het kan hier gaan om een grotere of kleinere hoeveelheid deeg. De hoeveelheid kan blijkens de opgaven een "moelde" (= baktrog), een pond (zie woordtype "pundel"), "voor één brood" zijn, of minder bepaald een "klomp", "kneedsel" enz. zijn. "malood" duidt op een hoeveelheid baksel, gemalen graan, dat in een bakzak naar de molen gaat. Ook Weyns (blz. 37) maakt melding van het gebruik van een bakzak. Op de vooravond van het bakken moest deze bakzak terug zijn van de molen: door het malen verkreeg het meel een zekere warmtegraad en moest afkoelen, voordat het in de baktrog ging. [L 32, 50; rnonogr.] II-1
baksteen brik: brek (Geysteren), tichelsteen: tixǝlstiǝn (Geysteren) Uit klei of leem gebakken steen die voor metselwerk, en in hardgebakken vorm, ook voor bestrating wordt gebruikt. Het woordtype rijnvorm (P 47) duidt een bepaald formaat (180x 85x50 mm) van steen aan dat als basis dient om het stukloon te berekenen (Schuddinck, pag. 164). De benaming klinker wordt volgens Coopman (pag. 34) gebruikt voor de beste soort baksteen. Over de waalsteen merkt hij op (pag. 87) dat deze aan de oevers van Waal, Boven-Rijn, Lek en Maas wordt gebakken. [Wi 10; S 37; L 32, 95; N 98, 160; N 30, 52a; monogr.] II-8
bal gehakt frikadel: frekədɛl (Geysteren) bal gehakt III-2-3
balkenbrij balkenbrij: bālkənbrēi̯ (Geysteren), brij: brēi̯ (Geysteren), kruipuit: kərbut (Geysteren) mengsel van meel (boekweit), vleesnat en vlees III-2-3
band, lint lint: līnt (Geysteren) Lintvormig weefsel van katoen, linnen, fluweel enz. ter afboording, versiering of versteviging. [N 62, 58d; N 62, 58c; Gi 1.IV, 55; Gi 1.IV, 56; monogr.] II-7
bandschort met borststuk galgenscholk: galgescholluk (Geysteren) zijn er verschillende namen voor verschillende soorten van deze kledingstukken ? [DC 15 (1947)] III-1-3
bang angstig: engstig (Geysteren), schijterig: schieterig (Geysteren) angstig || bang, kleinzielig, krenterig III-1-4
bangerik bangeschijter: bangeschieter (Geysteren), blaas: scheldwoord voor: angstige man of jongen  blāōs (Geysteren), schijtboks: schietboks (Geysteren), schijterd: schieterd (Geysteren), schijthuis: en schiethuus (Geysteren), schiethüs (Geysteren), schijtvot: schietvot (Geysteren), schouwerik: schouwerik (Geysteren), schouweschijter: schuw - schouw of schuwen - schouwen?  schouweschieter (Geysteren) angstige man of jongen || bangerik || bangerik [schiethoes] [N 07 (1961)] III-1-4
barbeel berf: berf (Geysteren) barbeel (witvis) III-4-2
barrevoets op blote voeten: up blo.tə vy:t (Geysteren) blootvoets [RND] III-1-3