| 33533 |
gekneusde appel |
bluts:
blötsj (Q193p Gronsveld)
|
gekneusde plek in appel, peer
I-7
|
| 30175 |
geknipt werk |
snijvoeg:
šn ̇ęjvōx (Q193p Gronsveld)
|
Wijze van voegen waarbij de voegen eerst met fijne witte specie worden volgezet en vervolgens langs de kanten met een voegijzer of mesje schuin worden afgesneden. Geknipt werk vervaardigen noemde men in L 163 'knippen' ('knepǝ') of 'snijden' ('snejǝ'), in K 353 'bovenop voegen' ('bōvǝnup ˲vugǝ'). [N 32, 34d; N 32, 35a; N 32, 35c; monogr.]
II-9
|
| 24483 |
geknotte wilg |
kopwijde:
kopwy (Q193p Gronsveld)
|
wilg, gesnoeid
III-4-3
|
| 20690 |
gekookte hersens |
gebraden harren:
gebraoje heène (Q193p Gronsveld)
|
Gekookte hersens (frikkedellen, sepieten?) [N 16 (1962)]
III-2-3
|
| 24151 |
gekraagde roodstaart |
hollandse nachtegaal:
hollandse nachtegaol (Q193p Gronsveld),
hollense nachtegaol (Q193p Gronsveld),
schouwenveger:
zonder nadere specificatie ondergebracht bij Gekraagde Roodstaart
sjoûwevèger (Q193p Gronsveld)
|
gekraagde roodstaart || gekraagde roodstaart (14 rood trilstaartje; man heeft zwart gezicht en iets rossige buik; zomervogel; algemeen; broedt in boomgaten; roep [uuiet-tak-tak]; zachte, heldere zang begint met [jie-dru-dru] [N 09 (1961)]
III-4-1
|
| 17580 |
gekruld haar |
gekruld haar:
gekrold haor (Q193p Gronsveld)
|
gekruld haar [N 10 (1961)]
III-1-1
|
| 21274 |
geld |
duiten:
duite (Q193p Gronsveld),
geld:
geèld (Q193p Gronsveld),
xe`t (Q193p Gronsveld),
xɛld (Q193p Gronsveld)
|
geld [RND] || Geld in het algemeen; hierbij ook graag allerlei uitdrukkingen [geld, sens, poen, swis, oorden enz.] [N 21 (1963)] || geld opdoen (opmaken) [RND]
III-3-1
|
| 24152 |
gele kwikstaart |
gele kwikstaart:
geïle kwiksjtart (Q193p Gronsveld),
gèèle kwiksjtart (Q193p Gronsveld)
|
kwikstaart, geel (16,5 blauwig-grijs boven, geel onder; met lang wiebelstaartje; zomervogel; in weiland en korenvelden; er bestaat ook nog grotere uitgave die langs beekjes huist en zeldzaam is [N 09 (1961)] || kwikstaart, wit [DC 26 (1954)]
III-4-1
|
| 33264 |
gele lupine |
lupinen:
ly`pinǝ (Q193p Gronsveld)
|
Lupinus luteus L. Een 30 tot 60 cm hoge plant met een uit gele, lipvormige bloempjes bestaande bloempluim, die bloeit van juni tot september, boonvormige vruchtjes draagt en vooral op zandgronden als bemestingsgewas wordt geteeld. [N Q, 4a; N 11A, 29a en 29b; JG 1a, 1b; A 55, 3b; NE 1, 18; R 3, 30; monogr.]
I-5
|
| 22334 |
gelijkspelen |
boef spelen:
bof sjpuule (Q193p Gronsveld)
|
Quitte spelen, niet verliezen maar ook niet winnen [zijn zaad hebben, tot zijn zaad zijn, gelijk spelen, gelijk staan]. [N 88 (1982)]
III-3-2
|