| 30861 |
leest |
leest:
lęjs (Q193p Gronsveld)
|
De pasvorm, meestal van beukenhout, waaraan men de schoenen maakt. "De leest waarop de schoen gemaakt wordt, moet als het ware net een afgietsel zijn van de voet, en voor wat de stand aangaat, geschikt zijn volgens de hoogte der hiel waarvoor hij zal gebruikt worden" (Dierick, pag. 7). [N 60, 185a; N 60, 244a; L 1a-m; L 30, 8; S; monogr.]
II-10
|
| 22749 |
leeuw |
leeuw:
ene lii(w) (Q193p Gronsveld),
liew (Q193p Gronsveld)
|
leeuw [GTRP (1980-1995)] || Leeuw.
III-3-2
|
| 33883 |
leewater |
leewater:
lęi̯wǭǝtǝr (Q193p Gronsveld)
|
Gewrichtsontsteking bij veulens - ook bij kalveren en hoenders -, door een vochtophoping, veroorzaakt door een besmetting die bij veulens vooral via een navelwond binnendringt. [A 48A, 12c; N 8, 90m en 90n; monogr.]
I-9
|
| 34067 |
lege eerste koe |
manse koe:
mās [koe] (Q193p Gronsveld),
mastrind:
māsrēnt (Q193p Gronsveld),
schot:
šǫt (Q193p Gronsveld)
|
Jong rund dat eenmaal heeft gekalfd, maar dat daarna niet meer drachtig wil worden of waarmee men niet verder wil fokken. Zie voor de fonetische documentatie van (koe) het lemma ''koe'' (3.3.1). [N 3A, 25b; N C, 15; monogr.]
I-11
|
| 33409 |
legnest |
nest:
nęs (Q193p Gronsveld)
|
Het nest waarin de kippen hun eieren leggen. Est is door metanalyse uit nest ontstaan. [N 19, 32; A 48, 16e; monogr.; add. uit S 25]
I-6
|
| 34147 |
leiden |
laten dekken:
lǭtǝ dɛkǝ (Q193p Gronsveld)
|
De koe laten paren. [N 3A, 30a; JG 1a, 1b; monogr.]
I-11
|
| 20580 |
lekkerbek |
goede eter:
goien ëter (Q193p Gronsveld)
|
lekkerbek; Hoe noemt U: Iemand die goed kan eten (lekkerbek, lekkertand, likkebaard, fijnbek, smulbaard, smuiger) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 24570 |
lelietje-van-dalen |
meibloemetje:
mèijblömke (Q193p Gronsveld),
-
mèiblömkes (Q193p Gronsveld)
|
lelietje-van-dalen
III-4-3
|
| 22649 |
lemen knikker |
kanneklits:
kanneklits (Q193p Gronsveld),
kanneklitskes (Q193p Gronsveld),
2. Zeer kleine appel of aardappel.
kanneklits (Q193p Gronsveld)
|
1. Lemen knikker. || Balletjes van gebakken aarde, steen, marmer of glas [bolbaai, kets, kaaischeut, jibber, klits, ket, til, knipper, knot, marbol, marbel, mölmer, kaster, kasser, huuf, köls, kölster, vrenkel]. [N 88 (1982)] || Kleiner Murmel.
III-3-2
|
| 19535 |
lemmer |
blad:
bload (Q193p Gronsveld)
|
snijblad van een mes (lemmer, lemmet) [N 20 (zj)]
III-2-1
|