| 20186 |
lijkstro |
schoofstro:
sjaofstruue (Q193p Gronsveld)
|
lijkstroo; Hoe noemt men dit lijkstroo (schoofstroo, reeuwstroo, enz.). Zij er bepaalde uitdrukkingen die hiermee verband houden (bv. hij komt van het bed op het stroo) [VC 03 (1937)]
III-2-2
|
| 32014 |
lijmknecht, sergeant |
sergeant:
sǝržānt (Q193p Gronsveld)
|
Houten of metalen werktuig waarmee te lijmen delen vastgeklemd kunnen worden. Het bestaat uit één of twee lange benen waarop twee dwarsstukken zitten die met behulp van een draadspil naar elkaar toe gedraaid kunnen worden en de te lijmen delen op deze wijze vastklemmen. Lijmknechten bestaan in verschillende uitvoeringen en afmetingen. Met de in dit lemma opgenomen benamingen worden doorgaans grotere lijmknechten aangeduid, waarbij de lengte van het been of de benen meer dan 30 cm bedraagt. Zie ook afb. 120 en 121. [N 53, 216c; N 53, 217b; N 53, 215; N G, 15; monogr.]
II-12
|
| 32017 |
lijmtang |
handschroef:
hāntšrǫw.f (Q193p Gronsveld)
|
Een kort ijzeren of houten werktuig waarmee te lijmen delen vastgeklemd kunnen worden. De metalen lijmtang bestaat uit een been waarop een vaste en een verschuifbare bek zijn aangebracht. De verschuifbare bek is voorzien van een draadspil met handvat waarmee de klem tegen de te lijmen delen vastgeklemd kan worden. Zie ook afb. 122. [N 53, 217a; monogr.]
II-12
|
| 22329 |
lijn waar het spel begint |
schraam:
sjraom (Q193p Gronsveld),
Trêk nne -, daan kên vr begênne te sjrëume.
sjräom (Q193p Gronsveld)
|
De lijn waar bepaalde spelen beginnen [meet, mark, schreef, schram, erke, aanbrak, ambrok, lambrak, doodmeet]. [N 88 (1982)] || Streep.
III-3-2
|
| 21098 |
lijnzaadmeel |
lijzatemeel:
lēzōtǝmɛ̄l (Q193p Gronsveld)
|
De gedroogde pulp die overblijft na het slaan van de olie uit het lijnzaad. Het meel wordt als veevoeder gebruikt. Indien in samenstellingen met lijnzaad- dit woorddeel onverkort is gebleven en gelijk aan de opgave voor lijnzaad in dat lemma, dan is hier naar de variant van het lemma Lijnzaad, Vlaszaad verwezen. Voor de typen lijzend en lijzens naast lijzaad zie de toelichting bij het lemma Lijnzaad, Vlaszaad. [monogr.; add. uit L 1 a-m; L 1 u, 149; L 42, 59; RND 31]
I-5
|
| 22258 |
lijst met deelnemende duiven add. |
reizen?:
rejze (Q193p Gronsveld)
|
3. Deelnemen aan de duivensport.
III-3-2
|
| 24567 |
lijsterbes |
lijsterkers:
-
liesterkiës (Q193p Gronsveld)
|
lijsterbes (Sorbus aucuparia) [DC 26 (1954)]
III-4-3
|
| 20492 |
likken |
lekken:
lekke (Q193p Gronsveld)
|
likken; Hoe noemt U: Met de tong over iets heen en weer gaan om zo het voedsel op te nemen (likken, lekken, leppen) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 20725 |
limburgse kaas |
herves kaasje:
herns kieske (Q193p Gronsveld),
hervese kaas:
hervse kies (Q193p Gronsveld),
rommedou:
rommedoe (Q193p Gronsveld),
stinkkaas:
sjteenkkies (Q193p Gronsveld),
stinkkaasje:
sjteenkieske (Q193p Gronsveld)
|
Limburgse kaas, Hervese kaas (stinkkaas, rommedoe?) [N 16 (1962)] || rommedoe
III-2-3
|
| 33676 |
limburgse klei |
leem:
lem (Q193p Gronsveld),
lęǝm (Q193p Gronsveld)
|
Vraag N 27, 42 vroeg naar benamingen voor löss of ø̄Limburgse kleiø̄ en vraag N 27, 45 naar die voor de ø̄bruine, taaie, Limburgse klei, vooral langs hellingenø̄. Op grond van de antwoorden zijn deze vragen tot √©√©n lemma versmolten. Van Dale (elfde druk, blz. 1610) definieert löss als volgt: ø̄vruchtbare, weinig plastische leemsoort, licht vuilgeel of roodgeel van kleur, in Nederland ook wel Limburgse klei genoemdø̄. [N 27, 42; N 27, 45; N 27, 33]
I-8
|