| 20252 |
in verwachting zijn |
in positie:
pezi-jsie (L366p Gruitrode),
in verwachting:
in verwachting (L366p Gruitrode),
moeten kopen:
moeten kopen (L366p Gruitrode)
|
zwanger || Zwanger zijn: een kind dragen, zwanger zijn (staan, met een dik lijf lopen, inkopen, groot gaan, geladen). [N 84 (1981)]
III-2-2
|
| 18037 |
indigestie (hebben) |
niet recht te goed zijn:
niet recht tegoei zijn (L366p Gruitrode),
overlaste maag:
overlaste maag (L366p Gruitrode)
|
Indigestie: storing van de spijsvertering als gevolg van overlading van de maag, te snel eten (muik, overetendheid). [N 84 (1981)]
III-1-2
|
| 25433 |
ingewanden van geslacht vee |
gemook:
gǝmȳk (L366p Gruitrode)
|
Ingewanden van geslacht vee. Ook de algemene benamingen voor "ingewanden van vee" zijn hier opgenomen. [N 28, 58; N 28, 88; L 1a-m; L 1u, 106; Veldeke 26, 23; monogr.]
II-1
|
| 25434 |
ingewanden verwijderen |
gemook uithalen:
[gemook] ȳthālǝ (L366p Gruitrode)
|
Als het dier opgehangen is, snijdt de slachter de buik open, waarna hij de ingewanden (maag, darmen e.d.) verwijdert. Om het dier lichter te maken en het dus gemakkelijker te kunnen ophijsen, gebeurde dit bij een rund vroeger - voordat het gebruik van katrollen e.d. meer algemeen werd - terwijl het dier nog op de burrie lag. Een bij het woordtype genoemd object wordt niet fonetisch gedocumenteerd. Zie voor deze varianten van ''darmen'', ''pens'' e.d. het lemma ''ingewanden van geslacht vee''. [N 28, 59; monogr.]
II-1
|
| 33181 |
ingooien (in een kuiltje) |
ingooien:
e.ngű̄i̯ǝ (L366p Gruitrode)
|
[N 12, 11; JG 1a, 1b; monogr.; add. uit N 12, 14 en 15]
I-5
|
| 34012 |
inhalen |
langsdoor varen:
laŋs˱dű̄ǝ.r vā.rǝ (L366p Gruitrode),
voorbijsteken:
vǝrbī.stē̜.kǝ (L366p Gruitrode)
|
Gaan twee karren achter elkaar en gaat de laatste vlugger vooruit dan de eerste, dan zal ze haar voorganger inhalen. [JG 1a, 1b]
I-10
|
| 24960 |
inham |
inham:
inhàm (L366p Gruitrode),
uitsprong:
uwtspróng (L366p Gruitrode)
|
inham, in het land inspringend gedeelte van een zee, meer of riveri [inpamp] [N 81 (1980)]
III-4-4
|
| 33030 |
inkappen, eerste slagen maken met de zicht |
aanmaaien:
ā[maaien] (L366p Gruitrode)
|
De eerste slagen met de zicht maken in een aan te maaien akker en tevens het uitvoeren van de "eerste fase" van de zichtbehandeling; zie de algemene toelichting van deze paragraaf. De terminologie wordt soms ook gebruikt voor het maken van de eerste gang voor de maaimachine; dit wordt uitdrukkelijk vermeld in K 316, L 270, 294, 320c, 355, 360, 372, 419, 420, 432, P 186, Q 99*, 121c, 197, 197a. Voor de fonetische documentatie van het woorddeel [maaien], zie het lemma ''maaien'' (3.1.1) en de klankkaart (kaart 7) in aflevering I.3. [N 15, 16j; JG 1a, 1b, 1c, 1d, 2c; A 23, 16.2; L 48, 32.2; Lu 1, 16.1a; monogr.; add. uit N 15, 16f]
I-4
|
| 33259 |
inkarnaatklaver, franse klaver |
franse klee:
fransǝ [klee] (L366p Gruitrode),
rode klee:
rōi̯ǝ [klee] (L366p Gruitrode)
|
Trifolium incarnatum L. Een 15 tot 60 cm hoge plant met helder scharlakenrode bloemhoofdjes die van mei tot juli bloeien. Het wordt in augustus gezaaid, levert in mei een flinke snee groenvoer op en wordt dan ondergeploegd. Zie ook de toelichting bij het lemma Klaver, Algemeen. Zie het lemma Klaver, Algemeen voor de fonetische documentatie van de woord(delen) klaver(-) en klee(-). [N 14, 83; L 36, 35; monogr.]
I-5
|
| 21498 |
inkt |
inkt:
det is blauwen enk (L366p Gruitrode)
|
Blauwe inkt. [ZND 36 (1941)]
III-3-1
|