| 19248 |
gedenken; gedachtenis |
rappeleren:
Fr. se rappeler
rappelère (L366p Gruitrode),
Fr. se rappeler Ich rappelèèr dich eraan deste good op ti-jd moos kòmme
rappelère (L366p Gruitrode)
|
doen herinneren || zich herinneren
III-1-4
|
| 19090 |
gedienstig |
gedienstig:
hei is gedéénstig (L366p Gruitrode)
|
Hij is gedienstig (geneigd om dienst te bewijzen). [ZND 35 (1941)]
III-1-4
|
| 19046 |
geduld |
geduld:
het toch wat geduld (L366p Gruitrode),
patintie:
het toch wat patientie (L366p Gruitrode),
Fr. patience Samenst. pasjentsiewerk
pasjentsie (L366p Gruitrode)
|
geduld || Heb toch wat geduld! [ZND 35 (1941)]
III-1-4
|
| 18916 |
gedwee |
braaf:
ook materiaal znd 23, 69; znd 35, 49
braaf (L366p Gruitrode),
gehoorzaam:
NB. Mar.: waarom gewillig (= bereidwillig =doet het gráág!) en gedwee gesplitst?: waarom dit bij gedwee??
ei gehoorzaam kind (L366p Gruitrode),
ook materiaal 23, 69; znd 35, 49
gehoorzaam (L366p Gruitrode)
|
Een gewillig (gedwee) kind. [ZND 35 (1941)] || gedwee [ZND 01 (1922)]
III-1-4
|
| 24150 |
geelgors |
gele schrijver:
gèle sjri-jver (L366p Gruitrode)
|
geelgors
III-4-1
|
| 18098 |
geelzucht |
geel verf:
geelverf (L366p Gruitrode),
gèèl verrif (L366p Gruitrode)
|
de geelzucht (ziekte waarbij de huid en ook het wit van de ogen geel wordt) [ZND 35 (1941)] || Geelzucht: ziekte die zich uiterlijk kenmerkt door de gele kleur die de huid aanneemt ten gevolge van de opneming der galkleurstof in het bloed (galzucht, galziekte, geluw, gele verf, geelverf, verf, geelaard, gele ziekte). [N 84 (1981)]
III-1-2
|
| 19280 |
geen rust hebben |
geen rust hebben:
heì héet gein rĕst (L366p Gruitrode)
|
hij heeft geen rust [ZND 42 (1943)]
III-1-4
|
| 29054 |
geer |
geer:
gīr (L366p Gruitrode)
|
Een naar boven spits uitlopende lap of strook waarmee men een kledingstuk van onderen verwijdt. [N 62, 11a; L 1a-m; L 23, 71; Gi 1.IV, 17; S 10; monogr.]
II-7
|
| 32746 |
geerakker |
kortvoor:
kort˲vǭr (L366p Gruitrode)
|
Onder een geerakker wordt hier verstaan dat deel van een akker dat gerend geploegd moet worden als de akker niet de vorm van een rechthoek of een parallellogram heeft. De benaming voor dit onderdeel is niet zelden ook op de gerende akker in zijn geheel toepasselijk. Opgaven die duidelijk de (geometrische) vorm of een scherpe hoek van een akker bleken te betreffen, zijn in dit lemma echter niet opgenomen. Zie verder ook het volgende lemma. [N 11, 4b + 64; N 11A, 127 + 137f + 137g; N P, 1; A 33, 9 add.; A 33, 10; JG 1a + 1b; JG 2b-4, 7; monogr.]
I-1
|
| 18832 |
geestig |
geestig:
Dri-jk is eine geistige vertöller, mè neet ederein kan geistig vertölle
geistig (L366p Gruitrode)
|
geestig, vrolijk
III-1-4
|