| 30019 |
mortelkuip |
kuip:
kūp (Q203p Gulpen)
|
Bak of kuip waar de metselaar mortel uit neemt tijdens het metselen. Het bestaat gewoonlijk uit een doorgezaagd olie- of teervat. [N 30, 46a; monogr.]
II-9
|
| 30012 |
mortelmaker |
handlanger:
[handlanger] (Q203p Gulpen)
|
De handlanger die speciaal belast is met het klaarmaken van de mortel. In Q 15 werd de mortel in een klein bedrijf door de handlanger gemaakt. Bij grote bedrijven kende men daarvoor een speciale 'spijsmaker' ('spīsmē̜kǝr'). Het woordtype 'molenbaas' (L 210) wijst op het gebruik van een cementmolen. Zie voor de fonetische documentatie van de tussen '(...)' geplaatste termen de lemmata 'Mortel' en 'Handlanger'. [N 30, 2c; N 30, 40b; monogr.; L B1, 104 add.]
II-9
|
| 30013 |
mortelmolen |
betonmolen:
[betonmolen] (Q203p Gulpen)
|
Toestel dat wordt gebruikt bij het aanmaken van mortel. De mortelmolen bestaat uit een peer- of cilindervormige mengtrommel die vroeger met handkracht werd rondgedraaid en tegenwoordig met behulp van een elektromotor of een verbrandingsmotor wordt aangedreven. In de trommel zijn schoepen aangebracht die tijdens het ronddraaien de mortel mengen. Zie voor de fonetische documentatie van de woorddelen '(mortel)-', '(spijs)-' etc. het lemma 'Mortel' en van '(betonmolen)' het lemma 'Betonmolen'. [N 30, 44; monogr.]
II-9
|
| 30010 |
mortelschop |
spijsschup:
špīsšøp (Q203p Gulpen)
|
Brede, platte schop die wordt gebruikt voor het aanmaken van mortel. Vgl. afb. 20. Zie voor het woordtype 'troffel' en de samenstellingen met 'troffel' ook het lemma 'Graanschop', 'Schepschop' in wld I.4, pag. 146/147. [N 30, 41b; monogr.]
II-9
|
| 20923 |
mossel |
mossel:
mossjel (Q203p Gulpen),
mŏssjel (Q203p Gulpen)
|
mossel [SGV (1914)]
III-2-3
|
| 20839 |
mosterd |
mosterd:
mosterd (Q203p Gulpen)
|
mosterd [SGV (1914)]
III-2-3
|
| 24355 |
mot |
mot:
mot (Q203p Gulpen, ...
Q203p Gulpen)
|
mot [DC 24 (1953)], [SGV (1914)]
III-4-2
|
| 21263 |
motor |
moter:
motər (Q203p Gulpen)
|
motor [RND]
III-3-1
|
| 25130 |
motregen, fijne regen |
muggenzeik:
mugge zeék (Q203p Gulpen)
|
klein beetje regen [muggepis, pleisterke regen] [N 81 (1980)]
III-4-4
|
| 25100 |
motregenen, licht regenen |
druppelen:
⁄t druppeld (Q203p Gulpen),
fiezelen:
vīēzele (Q203p Gulpen),
ijzelen:
īēzele (Q203p Gulpen),
smiezen:
schieze (Q203p Gulpen)
|
klein beetje regen [muggepis, pleisterke regen] [N 81 (1980)] || motregen, het motregent (regen met heel fijne druppels). [DC 30 (1958)] || zeer weinig regenen, zodat de grond maar net nat is [spruikelen] [N 81 (1980)]
III-4-4
|