| 20556 |
glazig |
glazerig:
glazerig (L429p Guttecoven),
glazetig:
gláázetig (L429p Guttecoven)
|
glazig; Hoe noemt U: Hard en doorschijnend, gezegd van aardappelen (schier, glazerig) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 29571 |
gleiswerk |
aardewerk:
ārdǝwęrǝk (L429p Guttecoven)
|
Geglazuurd aardewerk. Het woordtype faïence (Q 156) is van toepassing op geglazuurd en geschilderd aardewerk, oorspronkelijk afkomstig uit Faënza, later naar voorbeeld hiervan ook elders vervaardigd. [N 20, 5; L 35, 78; monogr.]
II-8
|
| 22376 |
glijbaan |
roetsjbaan:
roetsjbaan (L429p Guttecoven)
|
Het speeltuig (vooral in speeltuinen) waarbij men langs een gladde baan van een platform naar beneden kan glijden [glijbaan, borsie, ritsbaan, roetsjbaan]. [N 88 (1982)]
III-3-2
|
| 17853 |
glijden |
sleuren:
sjleere (L429p Guttecoven)
|
glijden [SGV (1914)]
III-1-2
|
| 24316 |
glimworm |
glimworm:
WLD
glimwoorm (L429p Guttecoven),
glimwormpje:
glimwurmke (L429p Guttecoven),
vuurworm:
vuurwourm (L429p Guttecoven),
vuurwŏrm (L429p Guttecoven)
|
glimworm [SGV (1914)], [ZND 18G (1935)] || Hoe noemt u een soort kever: het mannetje is gevleugeld. Het kan 11-16mm lang worden. Het is bruinachtig van kleur en is in staat een geelgroen licht uit te stralen met behulp van lichtorganen op het achterlijf (glimkever) [N 83 (1981)]
III-4-2
|
| 19456 |
gloed |
gloed:
gloed (L429p Guttecoven),
glood (L429p Guttecoven),
gloeiend:
gleu-end (L429p Guttecoven)
|
Hitte, warmte die van een vurige massa uitstraalt (gloed, hitte, warmte) [N 79 (1979)]
III-2-1
|
| 23607 |
gloria |
gloria (lat.):
gloria (L429p Guttecoven)
|
De lofzang "Gloria in excelsis..."[jloria?]. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 18957 |
gluiperd |
gluiperd:
gloeperd (zn.) (L429p Guttecoven)
|
gluiperig: hij is - [DC 16 (1948)]
III-1-4
|
| 18956 |
gluiperig |
gluiperig:
gloeperig (L429p Guttecoven)
|
gluiperig: hij is - [DC 16 (1948)]
III-1-4
|
| 23426 |
godslamp |
godslamp:
gaodslamp (L429p Guttecoven)
|
De godslamp, de altijd brandende olielamp vóór het tabernakel van het hoofdaltaar of sacramentsaltaar [gods-, gôds-, gaods-, godeslamp]. [N 96A (1989)]
III-3-3
|