| 22471 |
knikkers laten rollen |
ketsen:
kitsje (L429p Guttecoven)
|
Knikkers laten rollen [druilen, trullen, dullen, reuzelen, dreutelen]. [N 88 (1982)]
III-3-2
|
| 22503 |
knikkers laten stuiteren |
ketsen:
ketsje (L429p Guttecoven)
|
Knikkers laten stuiteren in het knikkerspel [bonken, kletsen]. [N 88 (1982)]
III-3-2
|
| 22820 |
knikkertermen |
kransje:
krĕnske (L429p Guttecoven),
kransjeschieten:
krĕnskesjeete (L429p Guttecoven),
perk:
perk (L429p Guttecoven),
schieten:
sjeete (L429p Guttecoven),
stikken:
sjtikke (L429p Guttecoven)
|
benamingen in het knikkerspel [SGV (1914)]
III-3-2
|
| 17784 |
knipogen |
knipogen:
knipuige (L429p Guttecoven)
|
knipogen [SGV (1914)]
III-1-1
|
| 20857 |
knoeien |
slabben:
sjlappe (L429p Guttecoven),
slabberen:
sjlabbere (L429p Guttecoven)
|
morsen [SGV (1914)] || slabben [SGV (1914)]
III-2-3
|
| 25080 |
knoeien, morsen, bevuilen |
slabberen:
sjlabbere (L429p Guttecoven)
|
morsen [SGV (1914)]
III-4-4
|
| 19076 |
knoest |
knoest:
WLD
knoes (L429p Guttecoven)
|
Een harde, ruwe uitwas aan een boom (knoes, kwar, aast, knoop, inwas, knoest). [N 82 (1981)]
III-4-3
|
| 17664 |
knokkelkuiltjes |
kuiltjes:
kuulkes (L429p Guttecoven)
|
De deukjes op de gewrichten tussen hand en vinger, die men ziet op de handjes van dikke babys, maar ook wel bij dikke kinderen en mensen? [DC 21 (1952)]
III-1-1
|
| 33246 |
knollen uittrekken |
kruiden:
krūǝ (L429p Guttecoven)
|
In oktober worden de bieten geoogst. Vroeger werden ze met een riek uitgestoken, later met een speciaal stuk gereedschap, zie het lemma Bietenrooier. Het bleef zwaar werk. Het object van het werkwoord is steeds "knollen" zoals in het lemma Knolvoer, Rapen (Coll.). Vergelijk ook het lemma Aardappels Rooien. [N Q, 11a; monogr.; add. uit Goossens 1963, kaart 17]
I-5
|
| 33236 |
knolraap, raap |
reuben:
rø̄bǝ (L429p Guttecoven
[(ook algemeen "knol")]
),
rø̜i̯bǝ (L429p Guttecoven)
|
Brassica rapa L. var. rapa. Knolraap is de gekweekte knol van de plant met de naam raapzaad, die een radijsachtige smaak heeft en doorgaans als veevoeder wordt geteeld, maar ook werd gegeten. Vergelijk ook de toelichting bij het lemma Koolraap (Bovengronds). De knollen zijn wit en hebben de grootte van een appel; het bovenste randje van de knol is vaak purperkleurig. Vaak worden ze in het stoppelveld gezaaid, na de graanoogst. De antwoorden zijn in het meervoud gegeven, behalve voor de verkleinvorm raapje dat aan het einde van het lemma is toegevoegd. [N 7, 16; N 12, 40; N 12A, 4b; JG 1b, 2c; L 6, 3a; L 41, 1; Wi 5; R 3, 31; monogr.; add uit N 12, 41 en Goossens 1963, kaart 20]
I-5
|