| 32785 |
handeg |
klein eegdje:
klęin ē̜xtjǝ (L322p Haelen)
|
De termen die in dit lemma bijeen zijn gezet, konden worden geduid als benamingen voor de kleine houten eg die door een persoon wordt voortgetrokken bij de bewerking van een klein perceel of de moestuin. Voor zulk werk kon ook één van de velden van een meerdelige eg worden gebruikt. Voor ''eg'' en ''eg'' zie het lemma ''eg''.' [N 15, 4 add.; N J, 10; A 13, 16b; div.]
I-2
|
| 21449 |
handelaar |
koopman:
koupman (L322p Haelen)
|
iemand die handel drijft [koopman, commercant, marchand, handelaar] [N 89 (1982)]
III-3-1
|
| 21496 |
handelen |
handelen:
hanjele (L322p Haelen)
|
handel drijven [komenschappen] [N 89 (1982)]
III-3-1
|
| 17661 |
handen (kindernamen) |
poesjes:
poesjes (L322p Haelen),
pootjes:
poetekes (L322p Haelen)
|
hand: kinderwoorden (pol, polleke, poeleke] [N 10 (1961)]
III-1-1
|
| 17660 |
handen (spotnamen) |
fikken:
(fikke) (L322p Haelen),
jatten:
jatte (L322p Haelen),
klauwen:
klauwe (L322p Haelen),
knoken:
knêûk (L322p Haelen),
rieken:
rèèke (L322p Haelen)
|
[N 10 (1961)]
III-1-1
|
| 21519 |
handgeld |
handgeld:
haṇtjgeltj (L322p Haelen)
|
eerste geld dat iemand ontvangt voor zijn waren [handsgeld?] [N 21 (1963)]
III-3-1
|
| 18906 |
handig |
handig:
henjig (L322p Haelen),
vlot:
flot (L322p Haelen)
|
goed met de handen terecht kunnend; gemakkelijk en snel iets met de handen kunnen maaken [handig, mieg, erg, snel] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 26685 |
handmolen |
handmolen:
hantj[molen] (L322p Haelen)
|
Eenvoudige handmolen bestaande uit een koppel molenstenen met kleine spil, zwengel en steenkuip, in sommige gevallen uitgebreid met kaar en maalstoel. De molen werd gebruikt om graan te malen en in voorkomende gevallen ook voor het breken van zaden. De handmolen was in l 159a niet bekend. Zie voor de fonetische documentatie van het woorddeel -ømolenŋ het lemma ɛmolenɛ.' [N D, 1; N D, 2; JG 1a]
II-3
|
| 17662 |
handpalm |
palm:
palm (L322p Haelen)
|
palm van de hand [N 10 (1961)]
III-1-1
|
| 18256 |
handschoen |
vingerhaas:
vingerhòòse (L322p Haelen)
|
handschoenen, met vier vingers en een duim [vingerwante, haase, hejse] [N 23 (1964)]
III-1-3
|