| 17756 |
kleine neus |
klein neusje:
klein nēͅske (L322p Haelen)
|
Dat kind heeft een klein neusje. [DC 37 (1964)]
III-1-1
|
| 21338 |
kleingeld |
kleingeld:
kleingeldj (L322p Haelen)
|
Klein geld [pasgeld, snuistergeld?] [N 21 (1963)]
III-3-1
|
| 20347 |
kleinkinderen |
kleinkind:
kleinkindj (L322p Haelen),
kleinkinder:
kleinkinjer (L322p Haelen)
|
kleinkind, kleinkinderen [DC 05 (1937)]
III-2-2
|
| 24450 |
kleinste dier van het nest |
krak:
WLD
kràk (L322p Haelen, ...
L322p Haelen)
|
Hoe noemt u het kleinste, jongste, zwakste dier van een nest [N 83 (1981)]
III-4-2
|
| 20348 |
kleinzoon |
kleinzoon:
kleinzoon (L322p Haelen, ...
L322p Haelen)
|
kleinzoon [DC 05 (1937)]
III-2-2
|
| 32681 |
klemmateriaal |
bout:
bǫu̯t (L322p Haelen)
|
Met allerlei materialen werden kouter, voorschaar en voorsteun van de ploeg op de ploegbalk vastgezet. Hierdoor bleven deze onderdelen verwisselbaar of verstelbaar. Welk materiaal men gebruikte, blijkt uit de opgaven. [N 11, 31.III.b; N 11A, 140b]
I-1
|
| 18626 |
klep (van pet) |
klep:
klèp (L322p Haelen)
|
klep van een pet [luif, luifel] [N 25 (1964)]
III-1-3
|
| 18200 |
klepbroek |
boks met een paan:
bóks met en pan (L322p Haelen)
|
broek met een sluitklep aan de voorkant [klepboks] [N 23 (1964)]
III-1-3
|
| 22377 |
kleppers |
kleppers:
kleppers (L322p Haelen)
|
Elk van de twee houtjes die de kinderen tussen de vingers snel tegen elkaar slaan om een klepperend geluid te maken [klepper, klapper, kap, klakker]. [N 88 (1982)]
III-3-2
|
| 21353 |
kletsen |
wauwelen:
Van Dale: wauwelen, 1. 1. (inform.) kletsen, vervelend praten; -2. (gew.) kauwen, knabbelen; -3. (gew.) treuzelen, leuteren.
wauwele (L322p Haelen),
zwetsen:
Van Dale: zwetsen, luidruchtig en onbedachtzaam spreken, m.n. grootspreken, snoeven.
zjwetse (L322p Haelen)
|
praten over dingen van weinig belang [zwetsen, kletsen, snateren, klappen, snabbelen, wauwelen, teuten, kebbelen] [N 87 (1981)]
III-3-1
|