| 33916 |
dempig |
dempig:
dɛmpex (L322p Haelen)
|
Gezegd van runderen of paarden met dempigheid, een bemoeilijking van de ademhaling; bij runderen is het vaak een naziekte van het mond- en klauwzeer. Het paard vertoont een versnelde ademhaling, gepaard met een temperatuursverhoging en hoesten. Dempigheid of kortademigheid is niet chronisch, in tegenstelling tot ''cornage'' (7.38). [JG 1b; A 48A, 38a; L 1, a-m; L 23, 1a en 1b; N 8, 87, 88 en 89a; N 52, 24; S 6]
I-9
|
| 24526 |
den |
den:
Veldeke
den (L322p Haelen),
spar:
WLD (De o is niet voldoende gedifferentiëerd; vandaar soms –)
sjpàr (L322p Haelen)
|
De den (in het bijzonder de grove den) (den, del, mast, spar). [N 82 (1981)]
III-4-3
|
| 19048 |
denken |
denken:
dènke (L322p Haelen)
|
denken: Je moet er nog maar eens over - [DC 35 (1963)]
III-1-4
|
| 24476 |
dennenappel |
dennenknop:
Veldeke
denneknoep (L322p Haelen),
knop:
WLD (De o is niet voldoende gedifferentiëerd; vandaar soms –)
knŏĕp (L322p Haelen)
|
De vrucht van een den, denne-appel (prop, bol, kegel, knop, fobbes, kroot, krutje, rots, dop, papekul, noot, kooi, tod, pil, appel). [N 82 (1981)]
III-4-3
|
| 24537 |
dennenwortel |
boks:
WLD (De o is niet voldoende gedifferentiëerd; vandaar soms –)
bo͂ks (L322p Haelen),
piepwortel:
pīēpwortels (L322p Haelen),
wortel:
Veldeke
wòrtel (L322p Haelen)
|
De wortel van een denneboom (puist, stronk, wortel, stol). [N 82 (1981)] || penvormige wortel van een denneboom [N 27 (1965)]
III-4-3
|
| 20612 |
desem |
zuurdeeg:
zóérdijch (L322p Haelen)
|
desemen; Hoe noemt U: Zuurdeeg in het beslag voor brood doen, desemen (zuren, mengen, desemen, het zuur zetten) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 20597 |
desemen |
zuren:
zure (L322p Haelen)
|
desemen; Hoe noemt U: Zuurdeeg in het beslag voor brood doen, desemen (zuren, mengen, desemen, het zuur zetten) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 19167 |
deugniet |
deugeniet:
deugeneet (L322p Haelen),
niks-nutziger:
niksnutziger (L322p Haelen)
|
deugniet [DC 11 (1942)] || een ondeugend kind [stinkgat, deugniet] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 33451 |
deurtje in een poortvleugel |
plaatsdeur:
plātsdø̄r (L322p Haelen),
schuurpoortje:
šø̄rpørtjǝ (L322p Haelen)
|
Om aan personen toegang te verlenen en om dan niet de gehele vleugel te moeten openen is er in een poortvleugel vaak een deurtje, dat meestal niet tot beneden reikt, waardoor men echt binnen moet stappen. Vaak is het zo klein dat men slechts in gebukte houding er door kan. Meestal is de poortvleugel niet gehalveerd. Door de functionele overeenkomst zijn de benamingen soms ook in gebruik voor het onderste deel van een gehalveerde poortvleugel (zie het lemma "onderdeur", 4.1.9). Doorgaans is uit de benamingen voor dergelijke deurtjes in de poorten van schuur en stal op te maken waar ze zich bevinden. Toegevoegd zijn ook de enkele aparte benamingen voor de toegangsdeur náást de poort. Zie ook afbeelding 18.f bij het lemma "poort" (4.1.1). [N 4A, 42b; N 4, 38; JG 1a en 1b; monogr.; add. uit N 5A, 77d]
I-6
|
| 21493 |
deurwaarder |
deurwaarder:
deurwaarder (L322p Haelen)
|
de ambtenaar bij de rechtbank die belast is met de dienst op de terechtzittingen, het doen van aanzeggingen [bijv. van belastingschuld enz. [vorster, deurwaarder] [N 90 (1982)]
III-3-1
|