| 24901 |
middag (s middags) |
noen:
nōēn (P048p Halen)
|
middag [RND]
III-4-4
|
| 33785 |
middendeel van het paard |
romp:
rump (P048p Halen)
|
De middel- of middenhand van het paard, in tegenstelling met ''voorste deel van het paard tot achter de voorbenen'' (3.1.3) en ''achterhand van het paard'' (3.3.14). [JG 1a, 1b; N 8, 12]
I-9
|
| 31586 |
middennaafbanden |
dombanden:
dumbān (P048p Halen
[(enk -bant)]
)
|
De ijzeren banden om het brede gedeelte van de naaf, aan weerszijden van de spaken. Zie ook afb. 214 en de lemmata ɛmuilbandɛ en ɛachternaafbandɛ.' [N G, 43e; N 17, 60; JG 1a; JG 1b; L 39, 22 add.; monogr.; div.]
II-11
|
| 24352 |
mier |
mier:
ook in ZND 08, 152a
mīr (P048p Halen),
mierzeik:
mirzēͅk (P048p Halen),
miərzɛ̄ək, myərzɛ̄ək (P048p Halen)
|
mier [ZND 01 (1922)] || mier [zeikdemp(el), -lem, -meik, -diem, -worm, -mier, moer-, muurzeiker, aomzeiksel, aomezeik] [N 26 (1964)]
III-4-2
|
| 24423 |
mierenei |
mierenei:
mirənēͅ (P048p Halen),
miərɛ̄ərə (mv.) (P048p Halen)
|
mierenei [zeekmoejerseike] [N 26 (1964)]
III-4-2
|
| 24424 |
mierenhoop |
mierennest:
mirəneͅst (P048p Halen),
mierzeikenhoop:
myərzɛ̄kənuəf (P048p Halen)
|
mierennest [zeekmoejersnest] [N 26 (1964)]
III-4-2
|
| 33094 |
mijt afdekken |
afdekken:
āf˱dękǝ (P048p Halen),
dekken:
dękǝ (P048p Halen)
|
De korenmijt van een dak voorzien. Zie de toelichting bij het lemma ''buitenstaande korenmijt'' (5.1.18). Bij besteken merkt Goossens in zijn materiaal op: "meer speciaal de grote band om de kop". [N 15, 45a; JG 1a, 1b, 2c; monogr.]
I-4
|
| 21745 |
mikken |
mikken:
mikə (P048p Halen)
|
lonken (mikken) [RND]
III-3-2
|
| 34112 |
miltkuilen |
kuilen:
kø̜lǝ (P048p Halen)
|
Holten in het lijf van een niet fraai gebouwde koe. [N 3A, 146; monogr.]
I-11
|
| 34201 |
miltvuur |
lopend vuur:
luǝpǝnt fyr (P048p Halen),
vuur:
vȳr (P048p Halen)
|
Miltvuur is een bodemziekte. De smetstof blijft in de vorm van sporen jarenlang buiten het lichaam in de grond levensvatbaar. Door graven, door verschil in waterstand, misschien ook door mollen en regenwormen komen de sporen naar boven. Als het vee ze opneemt met het voedsel of binnenkrijgt door wonden, groeien ze in het lichaam uit en verspreiden zich met het bloed naar alle organen. Deze dodelijke ziekte heeft een snel verloop. Soms sterven de dieren zonder dat er voorafgaande verschijnselen konden worden opgemerkt ineens onder krampachtige stuipen. Meestal worden ze vrij plotseling hevig ziek met hoge koorts en verschijnselen van pijn en zijn ze binnen 24 uur dood. Bloedige uitvloeiingen uit neus, mond, aars en kling komen veel voor, vooral na de dood. De slijmvliezen zijn hoog roodblauw gekleurd (Berns 1983, blz. 141). Zie ook het lemma ''miltvuur'' in wbd I.3, blz. 475-476. [N 3A, 87; A 48A, 22; monogr.]
I-11
|