| 32194 |
hakblok |
kapblok:
kap˱blǫk (L286p Hamont)
|
Houten blok of boomstronk, meestal op drie poten rustend, waarop de klompenmaker met behulp van dissel en kapbijl het stuk de ruwe vorm van een klomp geeft. [N 97, 57; Bakeman 8]
II-12
|
| 18791 |
haken |
crocheteren (<fr.):
ze kan crochteeren (L286p Hamont),
zə kan krestērən (L286p Hamont)
|
Haken, crocheren. [ZND 35 (1941)]
III-1-3
|
| 28863 |
haken en ogen |
haken en ogen:
hø̜̃ ęn ūǝgǝn (L286p Hamont)
|
Kleine metalen haakjes en ringetjes die, langs de zomen van kledingstukken genaaid, dienen om deze te sluiten. [N 62, 51; L 1a-m; L 24, 40b; L 49, 25; MW; S 11]
II-7
|
| 33301 |
hakken, wieden met de hak |
losdabben:
lǫsda.bǝ (L286p Hamont)
|
Met een hak de grond tussen (rijen van) opgroeiende planten bewerken, met het doel deze luchtig te maken en van onkruid te zuiveren. [N 15, 5; JG 1a, 1b; monogr.]
I-5
|
| 19692 |
hakmes |
hakstel:
haksteͅl (L286p Hamont),
hakstɛl (L286p Hamont),
kapmes:
kapmɛs (L286p Hamont),
kapmes
kapmɛ̄s (L286p Hamont),
kapmes voor hout klein te kappen: hakstel
kapmɛs (L286p Hamont)
|
hakmes, hiep [N 18 (1962)], [Roukens 03 (1937)], [ZND m] || kapmes || kapmes (voor groenten)
III-2-1
|
| 33153 |
haksel |
gescherfd (stro):
gǝsxɛrǝft [stro] (L286p Hamont),
haksel:
hɛksǝl (L286p Hamont)
|
Het kortgehakte stro, op de snijbok of in de hakselmachine, werd vroeger, samen met haver, gekookt en aan de beesten gevoerd. Als het iets grover gesneden was werd het ook wel als strooisel in de potstal gebruikt. Zie ook het lemma ''bussel kort stro'' (6.1.29). Zie voor de fonetische documenatie van het woorddeel [stro] het lemma ''stro'' (6.1.24). [JG 1b, 2c; L 1, a-m; L 26, 11; S 12; Wi 51; monogr.]
I-4
|
| 21661 |
halen en betalen |
ontvangen:
ps. omgespeld volgens Frings.
oͅntvaŋən (L286p Hamont)
|
Halen en betalen wat men gekocht heeft [ik moet gaan ontvangen?] [N 21 (1963)]
III-3-1
|
| 34027 |
halfbloed |
half wilde koe:
half wel [koe] (L286p Hamont)
|
Koe van gedeeltelijk bekende afstamming. Bedoeld wordt de koe waarvan één der ouders onbekend is - dit betreft meestal de vader - of waarvan één der ouders niet is opgenomen in het stamboek. Zie voor de fonetische documentatie van (koe) het lemma ''koe'' (3.3.1).' [N 3A, 3b]
I-11
|
| 18713 |
halfhemd |
borstlap:
bōͅrstlap (L286p Hamont)
|
halfhemd, kort overhemd of los linnen borststuk dat onder de halsopeningen van het vest wordt gedragen [frontj] [N 23 (1964)]
III-1-3
|
| 32446 |
halfhoge klomp |
lage klomp:
līǝgǝ klōmp (L286p Hamont)
|
Klomp met een kap die iets lager en korter is dan die van de hoge klomp. Over de klompopening is een leren riem aangebracht die door middel van kleine spijkertjes met platte kop wordt vastgezet. [N 97, 142]
II-12
|