| 32907 |
ijzeren gaffel, oogstgaffel |
gaffel:
ga.fǝl (L286p Hamont)
|
Twee- of drietandige ijzeren vork, met lange, enigszins gebogen tanden en een lange houten steel, gebruikt om hooi of korenschoven op te steken en op de wagen te laden. Zie afbeelding 10, b. Voor het voorkomen van de term riek en van varianten van het type gāfel, zie de toelichting bij het lemma ''houten gaffel''. Voor de fonetische documentatie van het woorddel (hooi) zie het lemma ''hooi''.' [N 18, 27; JG 1a, 1b; A 28, 2; L 1 a-m; L 16, 18a; L B2, 241; Lu 6, 2; S 9; Wi 3; Av 1 III 5a, b; monogr.]
I-3
|
| 33634 |
ijzeren haak aan de puthaak |
puthaak:
pøthōͅk (L286p Hamont),
schephaak:
sxøphōͅk (L286p Hamont)
|
[N 12 (1961)] [ZND 32 (1939)]
I-7
|
| 18348 |
ijzertje onder een schoen |
hoefijzer:
hūfīzər (L286p Hamont)
|
ijzertje onder de schoen [blakei] [N 24 (1964)]
III-1-3
|
| 22786 |
in een beek baden |
baden:
en m slūst baojen (L286p Hamont),
in de beek boaien (L286p Hamont)
|
In een beek baden. [ZND 33 (1940)]
III-3-2
|
| 28396 |
industriekool |
vette kool:
vɛtǝ kōǝl (L286p Hamont
[(Eisden)]
[Beringen, Zolder, Houthalen, Zwartberg, Winterslag, Waterschei, Eisden])
|
Steenkool met meer dan veertien procent vluchtige bestanddelen. Volgens de invuller uit Q 33 is de term "industriekool" van toepassing op de volgende steenkoolsoorten: vette kool, gaskool en gasvlamkool. [N 95, 456; N 95, 457; N 95, 458; N 95, 459; monogr.]
II-5
|
| 28135 |
ingestorte pijler |
toegevallen(e) taille:
tugǝvalǝ tę̄j (L286p Hamont
[(Eisden)]
[Oranje-Nassau I, Oranje-Nassau III, Oranje-Nassau IV])
|
Een door steenval ingestorte pijler. [N 95, 545]
II-5
|
| 17701 |
ingewanden |
ingewanden:
ēngəwandə (L286p Hamont, ...
L286p Hamont)
|
de ingewanden [ZND 01u (1924)] || ingewanden [ZND 01 (1922)]
III-1-1
|
| 25433 |
ingewanden van geslacht vee |
ingewanden:
ēngǝwandǝ (L286p Hamont)
|
Ingewanden van geslacht vee. Ook de algemene benamingen voor "ingewanden van vee" zijn hier opgenomen. [N 28, 58; N 28, 88; L 1a-m; L 1u, 106; Veldeke 26, 23; monogr.]
II-1
|
| 25447 |
ingezouten |
ingezouten:
ēngǝzāwtǝn (L286p Hamont)
|
Dit lemma sluit volledig aan bij het lemma ''het vlees conserveren''. In de Leuvense vragenlijsten 1a-m en 27 werd naar het begrip "ingezouten" gevraagd. Deze twee vragen worden hier als apart lemma gehonoreerd. [L 1a-m; L 27, 40; Veldeke 22, 67]
II-1
|
| 33181 |
ingooien (in een kuiltje) |
gooien:
guǝi̯ǝ (L286p Hamont),
in koter duwen:
en kōǝtǝr dǫu̯ǝn (L286p Hamont),
in kuiltjes leggen:
en kylkǝs lęgǝ (L286p Hamont)
|
[N 12, 11; JG 1a, 1b; monogr.; add. uit N 12, 14 en 15]
I-5
|