| 20741 |
koekje van overgeschoten deeg |
ovenkoek:
Syst. Frings
hōvəky(3)̄k (L286p Hamont),
ōvəky(3)̄k (L286p Hamont)
|
Koekjes van onbepaalde vorm, van overgeschoten deeg gebakken voor kinderen (kreupelkes?) [N 16 (1962)]
III-2-3
|
| 24188 |
koekoek |
koekoek:
kukuk (L286p Hamont)
|
koekoek
III-4-1
|
| 33349 |
koestal |
beestenstal:
bi̯ęstǝ[stal] (L286p Hamont),
koestal:
ku[stal] (L286p Hamont)
|
De stal bestemd voor het rundvee. Soms zijn er voor ouder vee en kalveren aparte stalruimten. Meestal zijn de koestal en de kalverstal in één ruimte, die in zijn geheel "de koestal" wordt genoemd. Men kan de koestal echter ook opvatten als dat deel van de stal waar de koeien staan. Zie voor de fonetische documentatie van het woorddeel (stal) het lemma "stal" (2.1.2). [N 5A, 33; N 5, 105g; JG 1a en 1b; A 10, 9a; L 38, 24; R (s]
I-6
|
| 34646 |
koets |
koets:
kuts (L286p Hamont)
|
Vierwielig rijtuig met een vierkante gesloten kast voor een klein aantal personen. De kast hangt in riemen of rust op veren. De koetsier heeft een aparte bok. De koets is een van de meest bekende rijtuigen, vandaar dat "koets" ook vaak als algemene benaming voor het vierwielig rijtuig gebruikt wordt. [N 17, 5; N 101, 1-13; N G, 51; L 28, 24; L 36, 70; L A, 288; L 1a-m; S 18; Wi 18; Gi 3,IB; monogr]
I-13
|
| 21140 |
koets (alg.) |
koets:
koets (L286p Hamont),
kuts (L286p Hamont, ...
L286p Hamont)
|
koets [ZND 28 (1938)], [ZND 36 (1941)]
III-3-1
|
| 34644 |
koetsier |
koetsier:
kutsīr (L286p Hamont)
|
Persoon die op de bok van een rijtuig zit en de paarden ment. [N 101, 2; Wi 15, monogr]
I-13
|
| 33340 |
koewachter, veeknecht |
koehoeder:
kuhyi̯ǝr (L286p Hamont)
|
De zweitser is de boerenknecht die, vooral op grote boerderijen met minstens 10 koeien (L 246), speciaal belast is met het melken en de verzorging van het rundvee. Wanneer het bedrijf voor zo''n speciale knecht te klein is wordt de zorg voor de koeien toevertrouwd aan een koewachter (koeherd, koejong; in het zuiden koeter, vatsji), meestal een aankomende knecht, pas van school, die de beesten meeneemt naar de wegbermen om ze daar te laten grazen. Van een koeter en vatsji in West-Haspengouw wordt ook gezegd dat hij (of zij) ook karweitjes in huis verricht, bijvoorbeeld in de keuken; vergelijk Kruijsen (1990) en het lemma "(hard) werken op de boerderij" (1.3.10). Bij koeherd in Q 6 wordt aangetekend: "hij kreeg alleen de kost en de klompen als loon". Voor de fonetische documentatie van het woord (knecht) zie het lemma "knecht algemeen" (1.3.12). [N M, 1b; JG 1b, 2c; A 48, 18b; L 26, 32b; monogr.]
I-6
|
| 21265 |
koffer |
koffer:
koͅfər (L286p Hamont)
|
koffer
III-3-1
|
| 20864 |
koffie |
koffie:
koͅfi (L286p Hamont)
|
(koffie) hij doopt zijn brood in zijn koffie [ZND 23 (1937)]
III-2-3
|
| 20588 |
koffiedik |
dras:
dras (L286p Hamont),
dràs (L286p Hamont)
|
bezinksel (bijv. van koffie) || koffiedik [DC 47 (1972)]
III-2-3
|