| 18358 |
rijglaars |
get:
getən (L286p Hamont),
rijglaars:
reͅlērzə (L286p Hamont)
|
laars waarvan het beenstuk moet worden dichtgeregen [N 24 (1964)] || rijgschoenen, hoge ~ voor dames [petiens, bottines] [N 24 (1964)]
III-1-3
|
| 26610 |
rijk malen |
het spoedt goed:
ǝt spujt ˲gut (L286p Hamont)
|
Met veel winst malen, vlot malen. [N O, 36l; A 42A, add.]
II-3
|
| 21435 |
rijk zijn |
in het geld zwemmen:
ps. omgespeld volgens Frings.
ent gēͅlt zwemən (L286p Hamont),
steenrijk zijn:
ps. omgespeld volgens Frings.
stīənrīk (L286p Hamont)
|
Inventarisatie uitdrukkingen voor: rijk zijn [rijk zijn, zwemmen in zijn geld, een groot fortuin hebben enz. enz.] [N 21 (1963)]
III-3-1
|
| 21269 |
rijkdom |
rijkdom:
ri.gdum (L286p Hamont)
|
rijkdom [RND]
III-3-1
|
| 21597 |
rijke lieden |
rijke lui:
rieke lui (L286p Hamont),
rijke mensen:
rikə mēnsən (L286p Hamont)
|
Rijke lieden [ZND 30 (1939)]
III-3-1
|
| 21609 |
rijksdaalder |
rijksdaalder:
ps. omgespeld volgens Frings.
rēͅi̯ksdāldər (L286p Hamont)
|
rijksdaalder, een ~ [vijftiger, knaak, ploegrol?] [N 21 (1963)]
III-3-1
|
| 21476 |
rijksveldwachter |
veldwachter:
v(tm)ldwāxtər (L286p Hamont),
veldwaachter (L286p Hamont),
vèldwaachter (L286p Hamont)
|
Hoe zegt men dat iemand door den veldwachter in boete wordt geslagen? Vertaal: "De veldwachter zal hem ... [ZND 36 (1941)]
III-3-1
|
| 21474 |
rijkswachter |
gendarme (fr.):
genderm (L286p Hamont),
ənə zjəndêrəm (L286p Hamont)
|
Gendarm, rijkswachter. [ZND 35 (1941)]
III-3-1
|
| 26478 |
rijn |
rijn:
rīn (L286p Hamont)
|
Algemene benaming voor het van vier klauwen voorziene ijzeren kruis in het middengat van de draaiende molensteen dat dient om de draaiïng van het staakijzer op de steen over te brengen. Zie voor de benamingen voor speciale rijntypen de lemmata ɛtweetakrijnɛ, ɛdrietakrijnɛ en ɛbalanceerrijnɛ.' [N O, 15a; A 42A, 20; N D, 18; Sche 45; Vds 84; Jan 122; Coe 100; Grof 120]
II-3
|
| 20816 |
rijp |
rijp:
rīēp (L286p Hamont)
|
rijp [RND]
III-2-3
|