| 23663 |
lof met processie |
lof met processie (<lat.):
lof met processie (L328p Heel)
|
Lof met processie (rondom de kerk of over het kerkplein of kerkhof) op de eerste zondag van de maand. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 17688 |
long |
long:
long (L328p Heel),
longe (L328p Heel),
lònge (L328p Heel)
|
long [SGV (1914)] || long, longen [loos, leus] [N 10a (1961)] || longen [SGV (1914)]
III-1-1
|
| 25289 |
lood, maat van 10 gram |
lood:
loewəd (L328p Heel)
|
de maat die een gewicht aangeeft van 10 gram [lood] [N 91 (1982)]
III-4-4
|
| 31981 |
loodlijn |
loodlijn:
lūǝtlīn (L328p Heel)
|
Een loodrechte lijn, aangegeven door het schietlood of het waterpas. [N 53, 194b; monogr.]
II-12
|
| 30579 |
loodvergiftiging |
loodvergiftiging:
luǝt˲vǝrgeftegeŋ (L328p Heel)
|
Ziekte die ontstaat ten gevolge van het werken met loodhoudende verfstoffen. [N 67, 101; monogr.]
II-9
|
| 24846 |
loof |
blader:
blaajer (L328p Heel),
loof:
louf (L328p Heel),
WLD
louf (L328p Heel)
|
bladeren [SGV (1914)] || De bladeren van een boom samen (loof, lover). [N 82 (1981)] || loof [SGV (1914)]
III-4-3
|
| 33250 |
loof van de bieten afplukken |
afbladen:
āfblāi̯ǝ (L328p Heel),
bladen:
blāi̯ǝ (L328p Heel)
|
Als de bieten uit de grond getrokken zijn, worden ze op rijen gelegd en worden de bladeren van de knollen afgesneden of afgeplukt. Bij mechanisch rooien gebeurt het wel dat het loof wordt afgesneden als de bieten nog in de grond staan. [N 12, 48; monogr.]
I-5
|
| 30797 |
looi |
looi:
luǝj (L328p Heel)
|
Looistof. Fijngemalen eikebast of run waarmee men leer bewerkt. [S; L 1a-m]
II-10
|
| 24678 |
loot, nieuw uitgelopen twijgje |
loot:
loeat (L328p Heel),
scheut:
WLD
sjuuət (L328p Heel)
|
Een nieuw uitgelopen twijgje (spraon, scheut, schot, lot). [N 82 (1981)] || loot [SGV (1914)]
III-4-3
|
| 17817 |
lopen |
lopen:
loupe (L328p Heel)
|
lopen [SGV (1914)]
III-1-2
|