| 31778 |
de zaagtanden strijken |
blokvijlen:
blǫk˲vīlǝ (L328p Heel),
rechten:
rɛxtǝ (L328p Heel)
|
De door het gebruik ongelijk afgesleten zaagtanden aan de punten plat afvijlen om ze weer even lang te maken. Zie ook het lemma ɛstrijkvijlɛ.' [N 50, 37c; N 53, 24d; monogr.]
II-12
|
| 31783 |
de zaagtanden vijlen |
slijpen:
šlīpǝ (L328p Heel),
zeegvijlen:
zē̜x˲vīlǝ (L328p Heel)
|
De zaagtanden na het zetten met behulp van een, meestal driekantige, vijl scherp maken. [N 50, 37c; N 53, 24b-c; monogr.]
II-12
|
| 31780 |
de zaagtanden zetten |
trekken:
trękǝ (L328p Heel)
|
De zaagtanden afwisselend naar links en naar rechts buigen om de snede van de zaag breder te maken dan het zaagblad. Op deze wijze gaat de zaag beter door het hout. Het zetten van de zaagtanden wordt gedaan met behulp van de zaagzetter of de zaagzettang. Zie ook deze lemmata. [N 50, 37a; N 53, 24a; N 53, 24c; monogr.]
II-12
|
| 23470 |
de zondag inluiden |
de zondag inluiden:
de zondig inloeje (L328p Heel),
met twee klokken luiden:
met twiee klokke loeje (L328p Heel)
|
Het luiden van de klokken op zaterdagavond na het angelus [zondag luiden, de zondag inluiden?]. [N 96A (1989)]
III-3-3
|
| 25312 |
decimeter, maat van 10 cm |
decimeter:
deesieméétər (L328p Heel)
|
de maat die een lengte van 10 cm aangeeft, 1/10 deel van een meter [sol, palm, decimeter] [N 91 (1982)]
III-4-4
|
| 30570 |
decoratieschilder |
decoratieschilder:
dekorāsišeldǝr (L328p Heel)
|
Schilder die zich in het bijzonder bezig houdt met het schilderen van versieringen. Tot zijn werkzaamheden behoren onder meer het schabloneren, biezentrekken, spatten, glaceren, etc. [N 67, 98b]
II-9
|
| 31776 |
decoupeerzaagmachine |
decoupeerzeeg:
dēkupērzē̜x (L328p Heel),
figuurzeeg:
figȳrzē̜x (L328p Heel)
|
Draagbare zaagmachine met een kort, smal zaagblad, dat op en neer gaat. De decoupeerzaagmachine wordt gebruikt voor het uitzagen van figuren en voor het zagen langs gebogen lijnen. Zie ook afb. 23. [N 53, 20; monogr.]
II-12
|
| 20808 |
deeg |
deeg:
deig (L328p Heel)
|
deeg [SGV (1914)]
III-2-3
|
| 25548 |
deeg kneden |
kneden:
knējǝ (L328p Heel),
knē̜jǝ (L328p Heel)
|
Bepaalde grondstoffen t.w. bloem, gist, zout, vocht vormen het deeg. Eventueel worden er nog andere toevoegingen bijgevoegd. Dit deeg gaat men kneden om een massa te verkrijgen waarin de verschillende grondstoffen in de juiste verhouding zo volkomen en gelijkmatig mogelijk dooreengemengd zijn (Schoep blz. 90-91). Naast "kneden met de hand" komt voor "kneden met de voeten" of kneden met de deegmachine". De informant van L 428 merkt op dat "mengelen" het mengen der diverse ingrediënten inhoudt en het eigenlijk kneden ''knē̜jǝ'' is. In dit lemma wordt het object "deeg" niet fonetisch gedocumenteerd. Bij documentatie zou de meest voorkomende variant dęjx zijn geweest. Daarnaast zouden er nog varianten voorkomen als dēx, dē.x, dējx, dē̜k, dē.jx, tī.x, dījx, dix, dīx en di.x.' [N 29, 20b; N 6, 47; S 18; L 1a-m: monogr.; L 22, 41]
II-1
|
| 18910 |
degelijk |
grondig:
grunjich (L328p Heel),
terdege:
tərdèègə (L328p Heel)
|
degelijk te werk gaand zodat men erop kan vertrouwen [tedeeg, grondig] [N 85 (1981)] || grondig [SGV (1914)]
III-1-4
|