| 19091 |
gerieflijk |
gemtlich (du.):
gemuutlig (Q113p Heerlen),
gemuutlik (Q113p Heerlen),
gerieflijk:
gereeflik (Q113p Heerlen)
|
gerieflijk
III-1-4
|
| 25066 |
gering aantal, een paar |
get:
gèt (Q113p Heerlen),
paar:
páár (Q113p Heerlen)
|
een gering aantal [paar] [N 91 (1982)]
III-4-4
|
| 34240 |
geronnen melk |
zure melk:
zuǝr melk (Q113p Heerlen)
|
Melk die door het lange staan dik en zuur is geworden. [L 2, 7; A 7, 15; monogr.]
I-11
|
| 20912 |
gerookt spek |
gerookt spek:
gerök sjpek (Q113p Heerlen)
|
rookspek
III-2-3
|
| 32979 |
gerst |
gerst:
gēǝš (Q113p Heerlen)
|
Hordeum L. De gerstteelt was in Belgisch Limburg betrekkelijk zeldzaam. Bij zomergerst wordt aangetekend: vooral bestemd voor de brouwerij; bij wintergerst: vooral bestemd als veevoer. Volgorde varianten van gerst: 1. met "rst" in de auslautgroep; 2. met "st"; 3. met "rs"; en 4: met alleen "s" in de auslautgroep; zie de eerste klankkaart [kaart 6]; in de tweede klankkaart [kaart 7] is de geografische verspreiding van het vocalisme weergegeven. Zie afbeelding 1, d. [JG 1a, 1b; L A1, 127; L 1 a-m; L 24, 6a; L lijst graangewassen, 2; R 3, 24; S 10; Wi 53; monogr.]
I-4
|
| 18312 |
geruite jurk |
ruitenkleed:
roetekleed (Q113p Heerlen)
|
jurk van geruite stof [ruutekeskleid] [N 24 (1964)]
III-1-3
|
| 21893 |
geschenk |
geschenk:
gəsjīnk (Q113p Heerlen),
gift:
gif (Q113p Heerlen)
|
dat wat je kado geeft [gave, geschenk, gift, present, zende, kado] [N 89 (1982)]
III-3-1
|
| 29829 |
geschifte steen |
schaal:
šāl (Q113p Heerlen)
|
Metselsteen die op zijn smalle kant in de lengte doormidden is gehakt. Zie ook afb. 29. [N 31, 19e; monogr.]
II-8
|
| 24831 |
geschilde tak |
geschilde takjes:
gesjelde teksjkes (Q113p Heerlen)
|
geschilde takjes
III-4-3
|
| 20475 |
geslacht |
geslacht:
gəsjlàch (Q113p Heerlen),
natie:
náásjə (Q113p Heerlen),
stam:
sjtàm (Q113p Heerlen)
|
de gezamenlijke afstammelingen van een gemeenschappelijke stamvader, geslacht [natie, familie] [N 87 (1981)]
III-2-2
|