| 26045 |
ijzerbalk |
weersbalk:
wērs˱balǝk (Q113p Heerlen)
|
De horizontale balk waarin bij de standerdmolen het boveneinde van het staakijzer draait en bij de Hollandse molen het boveneinde van de koning. In dit lemma zijn alle opgaven bijeengeplaatst, die betrekking hebben op de ijzerbalk in standerdmolens. Bovendien is hier materiaal opgenomen waarvan door de invullers niet is vermeld voor welk type windmolen het van toepassing is. De opgaven die specifiek de ijzerbalk van de Hollandse molen aanduiden, zijn bijeengeplaatst in het lemma ɛijzerbalk van de Hollandse molenɛ.' [N O, 29d; N O, 16k; A 42A, 17]
II-3
|
| 32767 |
ijzeren eg |
ijzeren [eg]:
īzǝrǝ [eg] (Q113p Heerlen)
|
De drie- of vierhoekige eg waarvan zowel het geraamte als de tanden van ijzer waren; zie afb. 55 en 56. Waar zulk een eg als onkruideg en/of als zaadeg diende, is vermeld in de betrokken lemmata verderop. De vorm die de ijzeren eg ter plaatse kon hebben, is hieronder voorgesteld door de tekens ∆ en vierkant. Voor ''eg'' en ''eg'' zie men de toelichting bij het lemma ''eg''.' [JG 1a + 1b add.; N 11, 70 + 71 + 72 add.; N 11A, 161; N J, 10; A 13, 16b; monogr.]
I-2
|
| 32907 |
ijzeren gaffel, oogstgaffel |
gaffel:
gafǝl (Q113p Heerlen),
hooigaffel:
[hooi]gafǝl (Q113p Heerlen),
hooivork:
[hooi]vǫrǝk (Q113p Heerlen),
riek:
rēk (Q113p Heerlen)
|
Twee- of drietandige ijzeren vork, met lange, enigszins gebogen tanden en een lange houten steel, gebruikt om hooi of korenschoven op te steken en op de wagen te laden. Zie afbeelding 10, b. Voor het voorkomen van de term riek en van varianten van het type gāfel, zie de toelichting bij het lemma ''houten gaffel''. Voor de fonetische documentatie van het woorddel (hooi) zie het lemma ''hooi''.' [N 18, 27; JG 1a, 1b; A 28, 2; L 1 a-m; L 16, 18a; L B2, 241; Lu 6, 2; S 9; Wi 3; Av 1 III 5a, b; monogr.]
I-3
|
| 33634 |
ijzeren haak aan de puthaak |
grondhaak:
groŋkhoͅək (Q113p Heerlen),
schephaak:
sxeͅphōͅk (Q113p Heerlen)
|
[N 12 (1961)]
I-7
|
| 25371 |
ijzeren pin waarmee men het slachtvee verdooft |
pin:
peǝn (Q113p Heerlen)
|
De woordtypen in dit lemma kunnen op verschillende zaken duiden. Men kan ermee bedoelen de ijzeren pin die uit het schietmasker gedreven wordt of de pin die op een hamer waarmee men het dier op de kop slaat, is bevestigd, of de pin van het penapparaat. Dit laatste werktuig is een voorloper van het penschietmasker. Zie ook de toelichting bij het lemma ''schietmasker''. [N 28, 5b; N 28, 5d; monogr.]
II-1
|
| 31569 |
ijzerkit |
ijzerkit:
īzǝrket (Q113p Heerlen)
|
Een mengsel van ijzervijlsel, salmiak, zwavel en water dat wordt gebruikt om ijzer in steen te bevestigen of om gebreken in gegoten ijzer, bijvoorbeeld in kachels, onzichtbaar weg te werken. [N 33, 312]
II-11
|
| 18348 |
ijzertje onder een schoen |
hakijzer:
hakiezer (Q113p Heerlen)
|
ijzertje onder de schoen [blakei] [N 24 (1964)]
III-1-3
|
| 21334 |
illustratie |
illustratie (<fr.):
illuschtratie (Q113p Heerlen),
schildje:
sjeltjə (Q113p Heerlen)
|
een plaatje, prentje, afbeelding [beeldeke] [N 90 (1982)] || illustratie [SGV (1914)]
III-3-1
|
| 17846 |
in beweging komen |
(zich) roeren:
zich reurə (Q113p Heerlen)
|
beweging, In ~ komen (meutelen). [N 84 (1981)]
III-1-2
|
| 20442 |
in de doodskist leggen |
inkisten:
i-kistə (Q113p Heerlen),
kisten:
kistə (Q113p Heerlen)
|
een dode in de doodskist leggen [lichteren, kisten] [N 87 (1981)]
III-2-2
|