| 20120 |
krols |
katzenjammer (d.):
katsejammer (Q113p Heerlen),
loops:
leupsch (Q113p Heerlen),
lø̄pš (Q113p Heerlen)
|
loops, geslachtsdriftig ve kat [N 19 (1963)], [N C (1962)]
III-2-1
|
| 25010 |
krom, met bochten |
krom:
krómp (Q113p Heerlen),
(zoo kromp wie ing zieke?, inne kromme boon).
kromp (Q113p Heerlen)
|
afwijkend van een rechte lijn met een of meer bochten [krom, kromp, slom] [N 91 (1982)] || krom [SGV (1914)]
III-4-4
|
| 31261 |
kromme schroodbeitel |
kromme schroodbeitel:
kromǝ šrǫt˱bētǝl (Q113p Heerlen)
|
Schroodbeitel waarvan het werkvlak gebogen is. De kromme schroodbeitel wordt volgens Van der Wal (pag. 76) gebruikt als draagvlak bij het smeden van scherp overgewerkte profielen. Zie ook afb. 21. [N 33, 117]
II-11
|
| 25011 |
krommen |
krommen:
(hä krummelde zich van de pieng).
krumme (Q113p Heerlen)
|
krommen [SGV (1914)]
III-4-4
|
| 17894 |
krommen, ombuigen |
buigen:
beugə (Q113p Heerlen),
krommen:
krumme (Q113p Heerlen),
ombuigen:
umbeuge (Q113p Heerlen)
|
krommen [SGV (1914)] || Krommen: een kromme, gebogen vorm doen aannemen (krommen, buigen, draaien). [N 84 (1981)] || ombuigen [SGV (1914)]
III-1-2
|
| 31349 |
krompasser |
krompasser:
krǫmppasǝr (Q113p Heerlen)
|
Passer met kromme benen waarmee de dikte van voorwerpen kan worden gemeten. Er bestaan twee uitvoeringen van de krompasser: één met veer en stelschroef en één met een scharnierpunt dat voldoende stroef is om de twee benen, na het uitzetten van de vereiste afmeting, in die stand vast te houden. De benen van de krompasser met stelschroef kunnen met een kartelmoer worden gefixeerd. Zie ook afb. 82. [N 33, 252c; N 64, 80b; N 66, 1b]
II-11
|
| 30146 |
kroonlijst |
muizetand:
mūzǝtaŋk (Q113p Heerlen)
|
Uitspringende sierstrook van bakstenen boven aan de gevel, juist onder de dakgoot. Het woordtype 'muizetand' is specifiek van toepassing op een laag metselwerk waarbij de koppen van de stenen overhoeks worden gelegd, zodat de driehoekige voorsprongen schuine tanden vormen. [N 31, 30a; L 12, 9; monogr.; div.]
II-9
|
| 22182 |
kropduif |
kropperd:
kròppet (Q113p Heerlen)
|
Kropduif.
III-3-2
|
| 26454 |
kropgat |
kropgat:
kropgat (Q113p Heerlen)
|
Het gat dat zich midden in de loper bevindt en waarin het te malen graan loopt. Kweern in het woordtype kweernoog (l 331) verwijst naar de in die plaats gebruikelijke term voor de handmolen. Zie het lemma ɛhandmolenɛ.' [N O, 18o; A 42A, 35; N D, 8; Sche 53; Vds 129; Jan 128; Coe 93; Grof 119; N O, 18h]
II-3
|
| 20591 |
kroppen, gezegd van voedsel |
in de hals blijven hangen:
i gun hoas blieve hange (Q113p Heerlen),
wurgen:
wörgə (Q113p Heerlen)
|
Hoe noemt U: In de slokdarm blijven steken, gezegd van een hap voedsel (kroppen) [N 80 (1980)]
III-2-3
|