| 34067 |
lege eerste koe |
brul:
brøl (Q113p Heerlen),
leeg rind:
lēǝx reŋk (Q113p Heerlen),
schot:
sxǫt (Q113p Heerlen)
|
Jong rund dat eenmaal heeft gekalfd, maar dat daarna niet meer drachtig wil worden of waarmee men niet verder wil fokken. Zie voor de fonetische documentatie van (koe) het lemma ''koe'' (3.3.1). [N 3A, 25b; N C, 15; monogr.]
I-11
|
| 28291 |
lege wagen |
lege:
lēǝgǝ (Q113p Heerlen
[(Emma)]
[Domaniale, Wilhelmina]),
lęǝgǝ (Q113p Heerlen
[(Oranje-Nassau I-IV)]
[Emma]),
lege wagen:
lēǝgǝ wān (Q113p Heerlen
[(Emma)]
[Laura, Julia])
|
[N 95, 673a; monogr.]
II-5
|
| 17815 |
leggen |
leggen:
läke (Q113p Heerlen)
|
leggen [SGV (1914)]
III-1-2
|
| 28498 |
leggende werkbij |
valse moer:
valšǝ mūr (Q113p Heerlen)
|
Een werkbij die eieren legt. Bij moerloosheid kunnen ook werkbijen optreden als eierenlegster. Maar zij doen dit leggen niet zo goed als de moer. De eieren zijn echter onbevrucht, omdat de werkbij geen darrenzaad heeft ontvangen. Uit de eieren komen alleen darren. Eieren van leggende werkbijen vindt men altijd aan de rand van een cel. Een koningin legt in het midden van de cel. Zie voor de fonetische documentatie van (werkbij) het lemma Werkbij en van (bij) het lemma Bij. [N 63, 62a]
II-6
|
| 33409 |
legnest |
legnest:
lęknęs (Q113p Heerlen),
nest:
nęs (Q113p Heerlen)
|
Het nest waarin de kippen hun eieren leggen. Est is door metanalyse uit nest ontstaan. [N 19, 32; A 48, 16e; monogr.; add. uit S 25]
I-6
|
| 28251 |
leischoenen |
stross-schoenen:
štrosšōn (Q113p Heerlen
[(Oranje-Nassau I-IV)]
[Winterslag, Waterschei])
|
Geleidingsschoenen van de schachtkooi die met enige speling om de geleidingsbomen van de schacht sluiten. [N 95, 97; monogr.]
II-5
|
| 20580 |
lekkerbek |
schmarotser:
sjmórotsər (Q113p Heerlen)
|
lekkerbek; Hoe noemt U: Iemand die goed kan eten (lekkerbek, lekkertand, likkebaard, fijnbek, smulbaard, smuiger) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 20079 |
lelie (lilium) |
lilie (d.):
mv.: liljes
lilje (Q113p Heerlen)
|
lelie
III-2-1
|
| 24570 |
lelietje-van-dalen |
meiklokje:
WBD/WLD
mééjklöksjkə (Q113p Heerlen)
|
Lelietje van Dalen (convallaria majalis). Een10 tot 25 cm grote plant met kruipende wortelstok, bladeren meestal 2, elliptisch, de bloeistengel is onbebladerd; de bloemen bevinden zich in eenzijdige trossen, klokvormig met 6 tandjes, wit gekleurd en geure [N 92 (1982)]
III-4-3
|
| 19124 |
lelijk |
lelijk:
lieëlig (Q113p Heerlen),
lieëlik (Q113p Heerlen)
|
lelijk
III-1-4
|