| 22535 |
spitse eind van een ei |
kop:
Sub pansj: Kop, vot en pansj.
kop (Q113p Heerlen),
spitse zij:
sjpetsə zi (Q113p Heerlen)
|
[Het spitse eind van het ei bij eieren tikken]. || Het spitse eind van het ei bij het eieren tikken. [N 88 (1982)]
III-3-2
|
| 33589 |
spitskool |
spitskool:
WBD/WLD
sjpitskôêl (Q113p Heerlen)
|
De koolsoort met puntig toelopende kroppen; spitskool (spitskool, suikertop, kegel). [N 82 (1981)]
I-7
|
| 24359 |
spitsmuis |
spitsmuis:
WBD/WLD
sjpitsmōēs (Q113p Heerlen)
|
Hoe noemt u het insektenetend diertje, veel op een muis lijkend, met spitse kop, dunne poten en een vrij lange staart (spitsmuis, dol, aardbol) [N 83 (1981)]
III-4-2
|
| 22492 |
spitsroeden lopen |
durch de houten molen gaan:
døͅrx da hōtə mūələ gōͅə (Q113p Heerlen)
|
Tussen twee rijen mensen lopen die een stok hebben en daarmee slaan [door de cordons lopen, door de kardouzen moeten, spitsroeden lopen, spitskar]. [N 88 (1982)]
III-3-2
|
| 32749 |
spitten |
graven:
grãvǝ (Q113p Heerlen)
|
In de tuin, op een zeer klein perceel of een moeilijk te ploegen hoek van een akker de grond met een spade - al dan niet in voren - uitsteken en omkeren. De simplicia spaden, graven e.d. zijn bij absoluut gebruik van toepassing op het spitwerk als zodanig. Meestal kunnen ze ook transitief gebruikt worden met het te bewerken stuk grond (de tuin e.d.) als object. [N 11, 65a; N 11A, 146a + b + c; N 11A, 50b add; RND 4 + 7 + 8 + 10, zin 4; A 33, 6 + 7 + 16 add.; L 7, 25; S 34; Lu 1, 1c; monogr.; div.]
I-1
|
| 33639 |
splijtkool |
splijtmoes:
-
sjplitmoos (Q113p Heerlen)
|
I-7
|
| 28019 |
splijtvlakken in de koollaag |
lagen:
ǫǝgǝ (Q113p Heerlen
[(Emma)]
[Laura, Julia]),
schuifvlak in de laag:
šy̆fvlak en dǝ loax (Q113p Heerlen
[(Oranje-Nassau I-IV)]
[Eisden]),
splijtvlakken:
(enk)
šplītvlak (Q113p Heerlen
[(Oranje-Nassau I-IV)]
[Oranje-Nassau I, Oranje-Nassau III, Oranje-Nassau IV])
|
Scheuren in de koollaag die zijn veroorzaakt tengevolge van de gebergtevormende bewegingen in de aardkorst waaraan de koollagen tijdens en na het ontstaan blootgesteld zijn geweest. Door de splijtvlakken is de koollaag als het ware in tegen elkaar liggende lagen of banken verdeeld. Vakkundig gebruik maken van de splijtvlakken beïnvloedt de prestatie van de mijnwerker gunstig. Volgens de informant van Q 15 was het het gemakkelijkste werken als de splijtvlakken parallel liepen aan de transportrichting. Soms kon men dit bevorderen door het gehele pijlerfront iets te draaien. [N 95, 504; monogr.]
II-5
|
| 24706 |
splitsing van de stam |
vork:
WBD/WLD
vórk (Q113p Heerlen)
|
Het deel van de boom waar de stam zich in tweeën splitst (gaffel, mik, vork). [N 82 (1981)]
III-4-3
|
| 27815 |
spoelkop |
spoelkop:
špø̄lkop (Q113p Heerlen
[(Oranje-Nassau I-IV)]
[Oranje-Nassau I, Oranje-Nassau III, Oranje-Nassau IV])
|
Een op het boorwerktuig aangebracht onderdeel dat het mogelijk maakt water via het holle boorijzer in het boorgat te spuiten. [monogr.; N 95, 779]
II-5
|
| 19806 |
spons |
spons:
schpoons (Q113p Heerlen),
sjpons (Q113p Heerlen),
en leer
spons (Q113p Heerlen),
Verklw. sjpunske
sjpóns (Q113p Heerlen)
|
spons || spons om ruiten mee schoon te maken [DC 15 (1947)]
III-2-1
|