| 30469 |
smetlijn |
smetkoord:
šmętkǭrt (L330p Herten),
smetlijn:
šmętlīn (L330p Herten)
|
Een met een kleurstof ingesmeerd touw waarmee rechte lijnen kunnen worden afgetekend. Het strak gespannen touw wordt daartoe in het midden opgetild en vervolgens plotseling weer losgelaten. Zie ook het lemma 'Smetlijn' in de paragraaf over de leidekker, pag. 161 [N 67, 83b; monogr.; div.]
II-9
|
| 29227 |
smetten |
smetten:
šmętǝ (L330p Herten)
|
Met een smetlijn een rechte lijn aftekenen. [N 67, 83a]
II-9
|
| 31987 |
smetten, afschrijven |
afschrijven:
āfšrīvǝ (L330p Herten)
|
Met behulp van de smetlijn een rechte lijn aftekenen op een te zagen boomstam of ander hout. Zie ook het lemma ɛsmettenɛ in Wld II.9, pag. 216.' [N 50, 21a; N 53, 204a; monogr.]
II-12
|
| 31988 |
smetter, afschrijver |
afschrijver:
āfšrīvǝr (L330p Herten)
|
De persoon die het werk van het smetten verricht. Zie ook het vorige lemma en het lemma ɛsmetlijnɛ.' [N 53, 204b]
II-12
|
| 27252 |
smid |
smid:
šmēt (L330p Herten
[(mv šmēj)]
)
|
In het algemeen een handwerksman die metaal, meestal ijzer, met behulp van hamers en andere gereedschappen bewerkt om er werktuigen of andere voorwerpen van te vervaardigen. Doorgaans wordt het metaal voor de verwerking in de smidsvuurhaard verhit en vervolgens op het aambeeld met behulp van smeedhamers in een bepaalde vorm gesmeed. Het woordtype vlammer (Q 113) is een afleiding van het werkwoord vlammen (vlɛmǝ) dat onder meer "slaan" kan betekenen. Vgl. ook RhWb II, kol. 548 s.v. Flammer, "Schmied".' [Wi 6; S 33; L 6, 78; L 8, 99; Weijnen BN 4, 6; N 33, 1a-b; monogr.]
II-11
|
| 31230 |
smidsbed |
smidsbed met twee vuren:
šmets˱bęt met twiǝ vȳrǝ (L330p Herten)
|
Het horizontale, van baksteen of ijzer vervaardigde werkvlak van een smidsvuurhaard waarin één of meer stookgaten zijn aangebracht. [N 33, 10; monogr.]
II-11
|
| 31231 |
smidsblaasbalg |
blaasbalk:
blǭs˱balǝk (L330p Herten),
harmonicabalk:
mōnikābalǝk (L330p Herten),
tonbalk:
tǫnbalǝk (L330p Herten)
|
Een werktuig om lucht aan te zuigen, samen te persen en vervolgens uit te blazen. In de smidse wordt het gebruikt om het vuur aan te wakkeren. Het bestaat uit een puntvormig uitlopende zak met twee of drie compartimenten of uit een tonvormige variant daarvan. Ook zijn er blaasbalgen met twee cilinders. De smidsblaasbalg wordt door middel van een trekmechanisme met de hand of de voet bediend. Zie ook afb. 8. [N 33, 11; N 33, 12a-12c; monogr.]
II-11
|
| 31192 |
smidse |
smederij:
šmējǝri (L330p Herten),
smidse:
šmets (L330p Herten)
|
In het algemeen de werkplaats van een smid en meer in het bijzonder de plaats waar de smidsvuurhaard is ondergebracht. Zie ook afb. 1. [N 33, 5; S 33; JG 1a; JG 1b; monogr.]
II-11
|
| 31239 |
smidskap |
schoorsteenkap:
šǭrštęjnkap (L330p Herten),
smidskap:
šmetskap (L330p Herten),
vuurkap:
vȳrkap (L330p Herten)
|
Gemetselde of metalen kap boven de smidsvuurhaard waarmee de rook naar de smidsschoorsteen wordt geleid. Zie ook afb. 6. [N 33, 23]
II-11
|
| 31174 |
smidsknecht |
smidseknecht:
šmetsknɛx (L330p Herten)
|
Het woordtype voorslager (Q 2, Q 111) is specifiek van toepassing op een smidsknecht die met een voorhamer werkt. Zie ook de lemmata "voorhamer" en "voorslaan". [N 33, 3; monogr.]
II-11
|