| 31586 |
middennaafbanden |
dombanden:
dombān (K360p Heusden)
|
De ijzeren banden om het brede gedeelte van de naaf, aan weerszijden van de spaken. Zie ook afb. 214 en de lemmata ɛmuilbandɛ en ɛachternaafbandɛ.' [N G, 43e; N 17, 60; JG 1a; JG 1b; L 39, 22 add.; monogr.; div.]
II-11
|
| 24352 |
mier |
mierzeik:
ook in ZND 08, 152a
mierzèk (K360p Heusden),
muurzeik:
muurzeik (K360p Heusden)
|
mier [ZND 01 (1922)]
III-4-2
|
| 33094 |
mijt afdekken |
dekken:
dękǝ (K360p Heusden)
|
De korenmijt van een dak voorzien. Zie de toelichting bij het lemma ''buitenstaande korenmijt'' (5.1.18). Bij besteken merkt Goossens in zijn materiaal op: "meer speciaal de grote band om de kop". [N 15, 45a; JG 1a, 1b, 2c; monogr.]
I-4
|
| 21745 |
mikken |
mikken:
mikke (K360p Heusden),
mikken (K360p Heusden),
mikə (K360p Heusden)
|
lonken (mikken) [RND] || Op iemand mikken (om met een boog of geweer te schieten). [ZND 38 (1942)]
III-3-2
|
| 20406 |
minderjarig |
minderjarig:
znd 31, 23a
minnerjarig (K360p Heusden)
|
minderjarig [ZND 31 (1939)]
III-2-2
|
| 18141 |
mismaakt |
mismaakt:
mismaakt (K360p Heusden)
|
het kind is mismaakt [ZND 31 (1939)]
III-1-2
|
| 25166 |
mist, nevel (alg.) |
mist:
mist (K360p Heusden)
|
mist, nevel [ZND 39 (1942)]
III-4-4
|
| 24929 |
modder, slijk |
modder:
modder (K360p Heusden),
moos:
moos (K360p Heusden),
mô.s (K360p Heusden)
|
modder, slijk [RND 8], [ZND 39 (1942)]
III-4-4
|
| 17833 |
moe |
moeg:
moeg (K360p Heusden),
my.ch (K360p Heusden)
|
moe [RND] || Wij zijn moe en we hebben dorst. [ZND 04 (1924)]
III-1-2
|
| 19198 |
moed |
moed:
hie hit moed (K360p Heusden)
|
hoe drukt ge uit in uw dialect: hij is moedig (hij is geen bangerd, hij durft bv. te vechten) [ZND 39 (1942)]
III-1-4
|