| 19513 |
soepketel, waterketel |
marmiet:
grote koperen ketel (van binnen vertind). Word bij feestelijke gelegenheden (o.a. kermis) voor soep te koken gebruikt.
marmīēt (L292p Heythuysen)
|
berremiet/ marmiet, in de betekenis van koperen waterketel; betekenis/uitspraak [N 20 (zj)]
III-2-1
|
| 19518 |
soepketeltje |
henkelmann (d.):
hinkeman (L292p Heythuysen)
|
keteltje van blik waarin men melk, soep e.d. naar de arbeiders in het veld brengt (perdons) [N 20 (zj)]
III-2-1
|
| 19521 |
soepterrine |
soepterrine:
soeptriēn (L292p Heythuysen)
|
soepterrine [N 20 (zj)]
III-2-1
|
| 20512 |
soepvlees |
soepenvlees:
sŏĕpəvlijs (L292p Heythuysen),
soepvlees:
soepvleis (L292p Heythuysen)
|
soepvlees; Hoe noemt U: Mager vlees om soep van te koken (boelie, bouilli, soepvlees) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 18196 |
sok |
sok:
zok (L292p Heythuysen)
|
sok, korte herenkous [zok, vlink, vlik, ene zök] [N 24 (1964)]
III-1-3
|
| 21287 |
soldaat |
soldaat:
səldô.t (L292p Heythuysen)
|
soldaat [RND]
III-3-1
|
| 21289 |
soldaten |
soldaten:
səldo.tə (L292p Heythuysen)
|
soldaten [RND]
III-3-1
|
| 32576 |
soorten van dierlijke mest |
geitemest:
gęi̯tǝ[mest] (L292p Heythuysen),
hoendermest:
hōndǝr[mest] (L292p Heythuysen),
koemest:
ku[mest] (L292p Heythuysen),
paardsmest:
pē̜rs[mest] (L292p Heythuysen),
schaapmest:
šǭp[mest] (L292p Heythuysen),
varkensmest:
vɛr(ǝ)kǝs[mest] (L292p Heythuysen)
|
De termen voor de verschillende soorten van dierlijke mest zijn op deze plaats in een lemma verenigd, omdat er (met name door N 11 en N 11A) in het kader van de bemesting van akker en weide naar werd geïnformeerd. Ze zouden evengoed passen in de sfeer van het uitmesten van de stallen en de mestbereiding, ook al kan men voor bepaalde gewassen de akker het best bemesten met de mest van een bepaalde veesoort en zal men in de mestvaalt sommige soorten dierlijke mest afzonderlijk verzamelen. In sommige plaatsen wordt naast of in plaats van (stal)mest het woordtype koestalmest of koemest gebruikt ter aanduiding van natuurlijke mest. Dat is niet verwonderlijk wanneer men bedenkt dat op de boerderij de meeste mest geproduceerd wordt door de koeien. In dit lemma zijn geen benamingen opgenomen, die specifiek zijn voor de uitwerpselen van de genoemde diersoorten. Voor de plaatselijke varianten van -[mest [JG 1a + 1b add.; A 9, 24 + 25; N 11, 27; N 11A, 5a t /m f; N M, 10a + b add.; L 20, 22f; A 4, 22f]
I-1
|
| 34576 |
spaak |
speken:
špęi̯kǝ (L292p Heythuysen)
|
Elk van de houten staven die de verbinding vormen tussen de velg van het wiel en de naaf. Afhankelijk van de omtrek van het wiel zijn er tien tot zestien spaken. Er zijn twee soorten spaken: ronde en platte. Voor zover ze specifieke benamingen krijgen, worden ze behandeld onder A resp. B. [N 17, 61a-b + 62a-b; N 18, 99; N G, 44a; JG 1a; JG 1b; JG 2b; S 34; A 4, 20b; L 20, 20b; L 7, 13; monogr.]
I-13
|
| 32750 |
spade, spitschop |
schup:
šø̜p (L292p Heythuysen)
|
Een schop met een vlak blad, dat min of meer in het verlengde van de steel geplaatst is. Deze schop wordt gebezigd voor het omspitten van de wendakkerhoeken, een lapje grond, de tuin e.d. Al naar gelang de streek en de ervaring is het blad van de spade hartvormig, trapeziumvormig of rechthoekig. Voor het tweede lid van de varianten van samenstellingen zie men het simplex schup verderop in het lemma. [N 11A, 147; N 18, 1 + 2 + 5 + 14; JG 1a + lb; L 7, 15; L 42, 40; Wi 5; Gwn 8, 2; GV, K 7; monogr.; div.]
I-1
|