| 19727 |
fuchsia |
belletjes:
bellëkës (Q077p Hoeselt),
fuchsia:
fuchsia (Q077p Hoeselt)
|
fuchsia [DC 57 (1982)] || fuchsia\'s
III-2-1
|
| 30053 |
funderingssleuven uitsteken |
fondamenten uitgraven:
fǫnǝmɛntǝn ǫwt˲grǭvǝ (Q077p Hoeselt)
|
Gleuven uitsteken langs de vier wanden op de bodem van de uitgegraven kelderruimte. In de sleuven worden later de fundamenten geplaatst. Zie voor het woordtype 'gescheuten' (Q 194) ook RhWb dl. VII, k. 962, s.v. 'Geschäu': ø̄das Mauerwerk aus Bruchsteinen an der Erde, auf dem die Balkenlage des Fachwerkhauses ruht.ø̄ [N 30, 25a; monogr.]
II-9
|
| 25233 |
gaan liggen (van de wind) |
gaan liggen:
goan ligge (Q077p Hoeselt)
|
gaan liggen, gezegd van de wind [stillen] [N 81 (1980)]
III-4-4
|
| 20530 |
gaar |
murw:
meurf (Q077p Hoeselt)
|
gaar; Hoe noemt U: Goed gekookt (gaar, murw) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 18345 |
gaatje voor de schoenveter |
rijgoog:
[rijgogen]
reͅixōgə (Q077p Hoeselt)
|
gaatjes in de schoen waardoor de veter wordt geregen [riegaater] [N 24 (1964)]
III-1-3
|
| 23265 |
galmgaten |
galmgaten:
galmgôote (Q077p Hoeselt),
galmgôoter (Q077p Hoeselt),
galmkotten:
galmkoeter (Q077p Hoeselt)
|
De open vensters in de klokketoren, waardoor het geluid van de klok(ken) naar buiten galmt [schalvensters, almsgatter, galmgaten?]. [N 96A (1989)]
III-3-3
|
| 24650 |
galnoot |
gal:
gal (Q077p Hoeselt)
|
De nootvormige uitwas aan de bladeren van eikebomen ontstaan door de steek van galwespen (galnoot, galappel, smouterenbol, kraaiappel, inktappel, gastappel). [N 82 (1981)]
III-4-3
|
| 33849 |
galopperen |
galopperen:
galǝ`pi̯ęrǝ (Q077p Hoeselt),
viervoetig (lopen):
vīrvȳtǝx (Q077p Hoeselt)
|
De galop is een drie-tempogang. Het paard beweegt met lange, gelijkmatige passen en leidt met één van de voorbenen. Beginnend met het rechter voorbeen gaat het als volgt verder: links achter (linker diagonaal), rechts achter en links voor, gevolgd door een zweefmoment. Bij het grootste aantal paarden hoort men drie hoefslagen (zie drieslag), waarbij de nederzetting van de twee voeten overkruis geschiedt. Enkel bij de galop van zeer goed gedresseerde man√®gepaarden worden de vier hoefslagen gehoord. Dit laatste heeft niets te maken met "vierkappens, vierklauwens of viervoetig lopen", wat "snel lopen" betekent. Zie afbeelding 10. [JG 1b; N 8, 20, 81c, 81d, 81e en 81f]
I-9
|
| 19375 |
gang |
gang:
(in een huis)
gank (Q077p Hoeselt),
nere:
nēͅrən (Q077p Hoeselt),
(vierkant, in een boerderij)
nère (Q077p Hoeselt)
|
De doorloop in een huis die de huisdeur met de vertrekken verbindt (gang, vloer, corridor, leid) [N 79 (1979)] || gang [ZND 01 (1922)]
III-2-1
|
| 33372 |
gang naast de koeienstand |
voedergang:
vui̯ǝrgaŋk (Q077p Hoeselt)
|
In een bepaald type stal loopt er naast de koeienstand, tussen de schutting en de muur, een vrij smalle gang; soms, bij een ander type stal, zijn er naast de koeienstand twee gangen, een brede en een smalle. Vooral bij keuterboerderijen komt het voor dat er helemaal geen gang naast de koeienstand is. De gangen worden gebruikt voor het transport van voer en mest en om zich door de stal te kunnen verplaatsen. [N 5A, 41a en 41b; N 4, 75]
I-6
|