17574 |
haarscheiding |
voor:
vwor (Q077p Hoeselt)
|
Scheiding in het haar (sjei(g)el). [N 109 (2001)]
III-1-1
|
32888 |
haarspit |
haarbol:
hǭrbǫl (Q077p Hoeselt)
|
Het haarspit is het draagbare aambeeldje waarop de zeis wordt gehaard. Het bestaat uit een ijzeren pin met een verstaalde enigszins bolle kop, die doorgaans vierkant van omtrek is en tot buiten de pin uitsteekt. Het haarspit kan in de grond worden gestoken (in het veld), of in een haarblok (op de boerderij). Om te verhinderen dat het haarblok te ver in de grond of het haarblok wordt gedreven, heeft men aan het haarspit, enkele centimeters onder de kop, een extra onderdeel vastgemaakt; dit kan bestaan uit enkele ringetjes, meestal twee of vier, een rond of vierkant plaatje, of uit twee dwarspinnetjes (spieën, die doorgaans van hout zijn). Als men het haarspit in de grond steekt, legt men vaak twee blokjes, plankjes of stenen onder de ringetjes of de spieën. De door de informanten opgegeven benamingen voor dit onderdeel van het haarspit staan achteraan in dit lemma. Zie afbeelding 7b, nummer 2. [N 18, 87, JG 1a, 1b, 1d, 2a, 2c; A 4, 28e; L 20, 28e; add. uit N 14, 131; N 18, 68f, 85 en 87; A 23, 16; Lu 1, 16; monogr.]
I-3
|
17796 |
haarstaart |
staart:
stat (Q077p Hoeselt, ...
Q077p Hoeselt),
staartje:
stetsje (Q077p Hoeselt)
|
Haarstaart. Het los neerhangende gedeelte van het haar, als men het bijeen gebonden draagt [staart, vlecht, paardenstaart] [N 114 (2002)] || het los neerhangende gedeelte van het haar, als men het bijeen gebonden draagt [staart, keu, vlecht] [N 86 (1981)]
III-1-1
|
17750 |
haarvlecht |
vlecht:
vlech (Q077p Hoeselt)
|
Vlechten. Lokken haar op regelmatige wijze kruizelings door elkaar strengelen [vlechten, breien] [N 114 (2002)]
III-1-1
|
17581 |
haarwrong |
knot:
knot (Q077p Hoeselt)
|
Haarwrong van een vrouw (knot, dot, wrong, kuif). [N 109 (2001)]
III-1-1
|
22348 |
haasje-over |
bokspringen:
boksprèngë (Q077p Hoeselt),
/
bok sprénge (Q077p Hoeselt),
boksprèngë (Q077p Hoeselt)
|
/ [SND (2006)] || bokspringen [SND (2006)] || het spel waarbij elke speler op zijn beurt achtereenvolgens over al de anderen die voorovergebogen, met de handen op de knie, op een rij staan, heenspringt [pieën, over het lijfje springen, bokspringen, voetje, broek over de haag] [N 112 (2006)]
III-3-2
|
18986 |
haast hebben |
zich spoeden:
spoeie (Q077p Hoeselt),
zich spoeie (Q077p Hoeselt)
|
door haast gedreven zijn, uit gejaagdheid zich haasten [jachten, jakken] [N 85 (1981)] || Grooten haast hebben [ZND 26 (1937)]
III-1-4
|
18994 |
haastig |
gepresseerd:
gepressiet (Q077p Hoeselt),
gepressièd (Q077p Hoeselt, ...
Q077p Hoeselt),
gepressiët (Q077p Hoeselt),
gespoed:
gespoeid (Q077p Hoeselt, ...
Q077p Hoeselt),
haastig:
heestig (Q077p Hoeselt),
héstich (Q077p Hoeselt),
ee kort
heestig (Q077p Hoeselt)
|
Grooten haast hebben [ZND 26 (1937)] || haastig [ZND 26 (1937)] || vol ongeduld of blijk gevend van zijn ongeduld [haastig, hacht, drij] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
24319 |
hagedis |
slangtis:
slantis (Q077p Hoeselt)
|
hagedis
III-4-2
|
20776 |
hagelslag |
hagelslag:
hôgëlslôog (Q077p Hoeselt),
muizenkeuteltjes:
mauzëkeutëlkës (Q077p Hoeselt)
|
chocoladekorreltjes, hagelslag || hagelslag
III-2-3
|