| 20167 |
niet zindelijk |
niet meer in de broek doen:
nie mee èn de broek doen (Q077p Hoeselt),
nog in de broek doen:
nog èn de broek doen (Q077p Hoeselt)
|
onzindelijk; de aandrang der natuurlijke behoeften niet beheersend; onzindelijk, gezegd van kinderen [N 86 (1981)] || zindelijk; de aandrang der natuurlijke behoeften beheersend, zindelijk gezegd van kinderen [N 86 (1981)]
III-2-2
|
| 18921 |
nietsnut |
voor niks deugen:
veur niks dôge (Q077p Hoeselt)
|
een persoon die tot niets deugt [leep, nietsnut, nietsnutter, nietsnutterik] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 25172 |
nieuwe maan |
nieuwe maan:
naw mwon (Q077p Hoeselt)
|
schijngestalte van de maan: nieuwe maan [donkere maan] [N 81 (1980)]
III-4-4
|
| 22319 |
nieuwjaar |
nieuwjaar:
nau-jor (Q077p Hoeselt),
naujwor (Q077p Hoeselt),
nawjeur (Q077p Hoeselt),
nieuwjaarsdag:
Sub nau-jor.
naujordôog (Q077p Hoeselt)
|
1 januari, de eerste dag van het nieuwe jaar [ni-jjaor]. [N 96C (1989)] || Nieuwjaar. || Nieuwjaarsdag.
III-3-2
|
| 22616 |
nieuwjaar wensen |
nieuwjaar wensen:
naujwor wènse (Q077p Hoeselt),
nawjeur wénse (Q077p Hoeselt)
|
Nieuwjaar wensen, Nieuwjaar winnen, afwinnen. [N 96C (1989)]
III-3-2
|
| 19052 |
nieuws |
nieuws:
naws (Q077p Hoeselt)
|
een bericht over iets dat nog onbekend was [nets, nieuws] [N 85 (1981)]
III-3-1
|
| 17724 |
nieuwsgierig kijken |
loeren:
loere (Q077p Hoeselt),
nieuwsgierig kijken:
nawsjirrech kieke (Q077p Hoeselt)
|
Nieuwsgierig kijken (gapen, curieus kijken, spitsmoelen) [N 109 (2001)]
III-1-1
|
| 19177 |
nieuwsgierigaard |
nieuwsgierige naas:
nawsjirregge noas (Q077p Hoeselt)
|
iemand die alles nieuwsgierig bekijkt [gaper] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 30857 |
nijptang |
pitstang:
petstaŋ (Q077p Hoeselt)
|
In dit lemma zijn de benamingen opgenomen voor tangen van diverse vorm en grootte die vooral dienen om spijkers uit trekken, maar vaak ook gebruikt worden om draadnagels of metaaldraad af te knippen. Zie ook afb. 144. Uit het Leuvens materiaal L B2, 228-229 blijkt, dat het woordtype trektang vooral de benaming is voor een vrij grote tang waarmee spijkers kunnen worden uitgetrokken. [N 33, 180; N 64, 47b; L B2, 228-229; monogr.; div.]
II-11
|
| 21643 |
nikkelgeld |
ijzergeld:
ps. omgespeld volgens Frings.
ēͅi̯zərgeͅlt (Q077p Hoeselt)
|
nikkelen of witmetalen geldstukken [N 21 (1963)]
III-3-1
|