| 24667 |
plataan |
plataan:
plataan (Q077p Hoeselt)
|
De plataan; van deze boom schilfert de schors in plaen af waardoor de nieuwe geelgroene bast zichtbaar wordt; de boom heeft langgesteelde vruchten (plataan, plantaan, plom, plon, plen). [N 82 (1981)]
III-4-3
|
| 34573 |
plateauwagen |
wagel:
wǭgǝl (Q077p Hoeselt)
|
Een vierwielige wagen, vaak al met wielen met luchtbanden, die voor het vervoer van melkbussen, biervaten, land- en tuinbouwproducten enz. gebruikt werd. De bak van deze wagen hangt laag boven de grond en heeft een groot bodemoppervlak. Vaak zijn er geen voor-, achter- en zijkanten. De wagen kan door paarden of ook door een tractor getrokken worden. [N 17, 43a; N G, 51 + 69; monogr.]
I-13
|
| 34085 |
platen |
heupen:
u̯ǫpǝ (Q077p Hoeselt),
platen:
plōt (Q077p Hoeselt)
|
De zijvlakken van het kruis. [N 3A, 111b]
I-11
|
| 33032 |
platliggen van graan |
(is) geplooierd:
gǝplǫi̯ǝrt (Q077p Hoeselt)
|
Wanneer de halmen door wind en regen platgeslagen zijn en tegen de grond liggen, is dat lastig werken voor de zichter. Hier staan steeds de persoonsvormen van het werkwoord genoemd, waarbij als onderwerp moet gedacht worden: "het koren"; achter in het lemma staan enkele zelfstandige naamwoorden: "platgelegerd graan". Heel in de uitdrukking ''(het koren) ligt heel'' staat voor ''helemaal''. [N 15, 13; monogr.]
I-4
|
| 19417 |
plattebuiskachel |
leuvense stoof:
ljeuvense stwof (Q077p Hoeselt),
stoof:
stūoͅf (Q077p Hoeselt),
stu̯oͅf (Q077p Hoeselt)
|
Lange kookkachel met langwerpige platte buis en zichtbare pot (boerenkachel, leuvense kachel, platte buis (kachel) [N 79 (1979)] || lange kookkachel, met langwerpige platte buis en zichtbaren pot [ZND 23 (1937)]
III-2-1
|
| 23528 |
plechtig |
plechtig:
plechtig (Q077p Hoeselt)
|
Plechtig, feestelijk [faierlich?]. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 24009 |
plechtige communie |
grote communie (<lat.):
grotë këmúnë (Q077p Hoeselt),
plechtige communie (<lat.):
plechtëgë këmúnë (Q077p Hoeselt)
|
De Plechtige H.Communie + hernieuwing van de doopbeloften. [N 96D (1989)]
III-3-3
|
| 30560 |
pleistermortel |
vette kalkmortie:
vętǝ kalǝkmǫrti (Q077p Hoeselt)
|
Mortel voor pleisterwerk. Pleistermortel mag, om krimpscheuren te voorkomen, niet te vet zijn. Hij wordt dan ook meestal samengesteld uit 1 deel Portlandcement op 3 delen zand of 1 deel kalkpoeder, 1,5 deel tras en 2,5 à 3 delen zand of 1 deel Portlandcement, 1 deel tras en 5 delen zand (Zwiers II, pag. 218). Zie voor de fonetische documentatie van de tussen '(...)' geplaatste woorden en woorddelen het lemma 'Mortel'. [N 30, 38d; N 32, 37b; monogr.]
II-9
|
| 29939 |
pleistertroffel |
metstroffeltje:
mɛtstrøfǝlkǝ (Q077p Hoeselt)
|
Klein troffeltje met veerkrachtig blad voor het pleisteren van (kleine) oppervlakken en voor werkzaamheden op plaatsen waarvoor de normale troffel te groot is. In Q 121 wordt het spitstroffeltje gebruikt voor het fijnere werk van de stucadoor. Zie afb. 1b. Zie voor de fonetische documentatie van de woorden '(troffel)' en '(truweel)' het lemma 'troffel'. [N 30, 8a; monogr.]
II-9
|
| 25179 |
plensbui, zware bui |
guts:
gats (Q077p Hoeselt),
schoer:
n sjoer
ən šūr (Q077p Hoeselt),
sjoer
šūr (Q077p Hoeselt)
|
grote hoeveelheid regen ineens [guts] [N 81 (1980)] || zware plensbui [zeng, schoer, sjoel, goersj] [N 22 (1963)]
III-4-4
|